De emoties van Domela in persoonlijke brieven; Iets van exaltatie en zelfkwelling

'en al beschouwen alle broeders mij als den verloren broeder'. De familiecorrespondentie van en over Ferdinand Domela Nieuwenhuis, 1846-1932 bezorgd door Bert Altena m.m.v. Rudolf de Jong, IISG, ƒ 89,90

In de laatste jaren van zijn leven had Domela Nieuwenhuis moeite zijn brieven met de hand te schrijven. Daarom typte hij ze - in de uitgave ervan is dat nog te zien aan de keuze van y voor ij. Het typen beviel Domela maar matig:'Schryven, behalve voor de pers, draagt altyd min of meer een intiem karakter,maar met de machine schryvende gaat dit verloren'.

Het valt te betwijfelen of handmatig schrijven altijd 'intiem' is - Domela maakt meteen ook zelf een uitzondering voor 'zaken' - maar de hier bijeengebrachte brieven kunnen zeker zo genoemd worden. De samenstellers van de uitgave, Bert Altena (die het meeste werk verrichtte) en Rudolf de Jong, hebben hun sporen verdiend als historici en kenners van het anarchisme en uit dit summier geannoteerde en van zakelijke inleidingen voorziene boek spreekt hun sympathie voor de stroming. Heel bewust hebben ze hier echter gekozen voor de briefwisseling, niet met de politieke medestanders maar met de familie. Een bekend euvel van biografieën en autobiografieën van leiders uit de arbeidersbeweging is immers, zo merken zij op, dat het privé-leven alleen in de jeugd indringend wordt beschreven. Daarna neemt de Beweging het verhaal over en wordt weinig meer vernomen over het leven daarbuiten. Van Domela wordt dan verhaald hoe hij socialist en later anarchist werd en hoe hij daarna leefde en werkte voor zijn politieke voorkeur. Hier wordt het perspectief omgekeerd. De Beweging blijft aan de rand van het verhaal; de kern wordt gevormd door de familieverhoudingen.

Er staan onbekende brieven in het boek, maar het belangrijkste is de fascinerende kijk op de socialisten- en anarchistenleider. De ongenaakbare Grote Man, de charismatische volksleider, zo ver weg voor een hedendaags publiek, wordt begrijpelijk. Zijn emoties en die van zijn familie worden tastbaar. Paradoxaal is dat wel. Domela wordt teruggeplaatst in zijn milieu en hij komt dichterbij dan zijn biografen gelukt is. Zijn politieke visie wordt hier echter ook getoond door de ogen van zijn familieleden, in dit opzicht buitenstaanders die zijn ontwikkeling hoofdschuddend volgen. Zijn overgang naar het socialisme is voor hen een teken dat hij 'geheel in de war' is, 'voor geene dwaasheid' terugdeinst, aan 'eene manie' lijdt.

Tevergeefs schrijft een zuster van Domela nog aan diens vrouw 'om te zeggen (dat) het ons zulk een leed doet (dat) Ferdinand hoe langer hoe meer van de wijs raakt'. Het is te laat. Hij en zijn vrouw van dat moment, een overtuigd socialiste, zullen 'elkaar' nu wel 'hoe langer hoe meer opwinden'. Het ergste is misschien nog wel dat hij zich 'door den rampzaligen socialistischen vegetarischen hocus pocus' en wat daar zo bijkomt 'elke gelegenheid om nuttig te werken afsnijdt'.

Domela stapte uit het burgerlijke milieu. Het rumoer hierover is wel bekend, maar het spannende is dat het niet tot definitieve breuken in de familie leidde. De rest van Domela's leven was een proces van aantrekking en afstoting,dat we in de brieven op de voet kunnen volgen. Ergernis wisselt af met genegenheid en behoefte aan contact en door alles heen is de sfeer te proeven van de negentiende-eeuwse burgerlijke familie, waarvan de leden hoe dan ook op elkaar waren aangewezen. De rust was voorgoed verstoord. En toch was het zo goed begonnen. Domela stamde uit een deftig-burgerlijke familie. Vakantiebrieven tonen een onbezorgde jongen van zestien. De telg van goede familie wordt even later gemakkelijk in de studentenwereld opgenomen.

Natuurlijk: het 'collegie houden om acht uur is minder aangenaam' maar 'om drie uur is onze gewoonte kroegwaarts te gaan'. Als hij trouwt, krijgt hij van zijn familie 'een schoone pendule' ('marmeren onderstuk met symbolische figuur' en maakt een zuster 'een fameus canapékleedjen' voor het bruidspaar. Ferdinand Domela Nieuwenhuis is dan Luthers predikant te Harlingen, zoals zijn vader en naamgenoot dat in Amsterdam was voordat hij hoogleraar werd. Het gaat hem voor de wind, ook al omdat telkens blijkt, zoals een broer opmerkt, 'hoe groote belangstelling de naam D.N. wekt & hoeveel Ferd. daardoor voor heeft'. Dan gaat het langzamerhand mis en later zullen dan ook veel familieleden klagen hoeveel de familienaam door Ferdinands toedoen tegen heeft, zodat ze hoogleraarsbenoemingen mislopen of anderszins minder vooruitkomen in het leven dan zonder hem het geval zou zijn.

Als predikant begint Domela zich te interesseren voor de sociale kwestie en het socialisme. We lezen dat hij 'Kapital' van 'Marcx' wil kopen, vervolgens dat hij de behoefte krijgt 'geest te blazen in de menichte' en daarna dat hij over 'mijn aanhang' begint te spreken en ten slotte, nog met een zeker voorbehoud: 'ik ben socialist' (1878). Domela's ontwikkeling tot socialist is vaak beschreven, maar deze brieven voegen iets toe. Ze leren dat hij eerder sympathie had voor de socialistische 'beginselen' dan voor de 'personen, die de zaak drijven' of de vorm die de socialistische strijd aannam. Een theoretische belangstelling voor socialisme was in zijn milieu aanvaardbaarder dan deelname aan de rauwe strijd.

Een van zijn broers die conservatief en orthodox geworden was en weinig verschil kon ontdekken tussen liberalisme en anarchisme, merkte op dat Domela aan 'de atmosfeer, waarin hij opgroeide' slechts 'den beschaafden vorm' ontnam. Al was dit het enige geweest wat hij deed, dan was dat in zijn deftig-burgerlijke milieu niet niks. Het rumoerige vroege socialisme betekende voor de bourgeoisie allereerst vernietiging van beschaving. Dat Domela zich durfde te bekeren tot de socialistische beweging, heeft hij in zijn memoires Van Christen tot Anarchist in verband gebracht met zijn persoonlijke geschiedenis. Die was bij uitstek tragisch: vier keer was hij getrouwd, drie keer overleed zijn vrouw, zijn vierde huwelijk duurde het langst en was het minst gelukkig en maar liefst zes kinderen overleden tijdens zijn leven.

In zijn memoires voert Domela zijn geloofsafval terug tot de dood van zijn eerste vrouw - zijn grote liefde - en legt hij een verband tussen het grote lijden van de arbeidersklasse en het lijden in zijn persoonlijke leven. Deze voorstelling lijkt een rationalisatie achteraf. De brieven maken duidelijk dat het inderdaad om een rationalisatie gaat, maar dan al uit de tijd zelf. Met een telkens in ietwat andere woorden herhaalde formule schrijft hij: 'openen de smart en het eigen lijden niet het hart voor medelijden met anderen indien zij den mensch niet in zelfzucht doet neerzitten en afwachten?'

Zo werd hij socialist. Arbeid troost, horen we ook vaak, en zijn pijnlijke gevoel voor 'oprechtheid' doet hem op den duur alle politieke compromissen met de burgermaatschappij en haar rollenspel afwijzen. De formules over het lijden houden een religieuze klank, maar ze voeren tot een atheïstisch, revolutionair standpunt. De socialistische strijd bood hem houvast om na persoonlijk verlies richting aan zijn leven te geven. Omgekeerd gaf dit verlies wellicht de beslissende stoot tot de radicale stap naar socialisme en anarchisme.

Iets van exaltatie en zelfkwelling is voortdurend zichtbaar. Het duidelijkst blijkt dat uit brieven die hij in 1909 en 1910 aan zijn vrouw en aan zijn steunpilaar en praatpaal, dochter Johanna, schrijft. Hij herdenkt dan de terechtstelling van Amerikaanse anarchisten die hij benijdt om hun martelaarsdood. 'En dan zoo te kunnen sterven als een held.' Jaren en jaren na de gebeurtenis doorleeft hij de terechtstelling en loopt een dag lang zenuwachtig door de 'woestheid der natuur'. 'Ik hoor het nekbeen breken als het valluik wordt weggenomen en ik zie ze alle vier bengelen aan den galg. En het is mij te moede alsof ik razend word.' Dit gaat ver. Hier beroept Domela zich niet op het lijden, maar wentelt hij zich er in. Het zegt iets over zijn beleving van socialisme en anarchisme, het zegt ook iets over zijn persoon. Deze brieven dateren uit jaren waarin hij niet gelukkig was. De moeizame relatie met zijn vierde vrouw speelt daarin een grote rol.

In de brieven uit Domela's laatste periode wordt teruggeblikt en lijken de familierelaties geleidelijk weer wat hechter te worden. Het hechtst zijn ze natuurlijk na zijn dood: de weemoed overheerst dan, er kunnen geen nieuwe ongelukken meer gebeuren en al met al - zo schrijven de familieleden elkaar dan - was hij een bijzonder man. Wat vreemd steekt bij deze familiebrieven de inleiding bij het laatste deel van de briefwisseling af, waarin betoogd wordt dat de anarchistische beweging van toen van groter belang was dan veelal wordt aangenomen. Dit mag zo zijn, maar uit deze brieven blijkt dat - zoals te verwachten - niet.

Ondanks alles droeg Domela het stempel van zijn deftig-burgerlijke afkomst. Hij hechtte zeer aan 'ernst' - zeer laatdunkend liet hij zich uit over al te vrolijke socialistische manifestaties -, wilde zijn kinderen zien opgroeien tot 'flink en nuttig lid der maatschappij' en zag vol vreugde dat zijn dochter idealen koesterde die 'rein, verheven, veredelend' waren. Voor een deel koos hij voor het socialisme, omdat hij de deugden van de burgerij serieuzer wilde nemen dan de burgerij in zijn ogen zelf deed. Op enkele terreinen onttrok hij zich echter aan de burgerlijke normen. Origineel is de precieze reconstructie die Altena geeft van Domela's financiële situatie. Daaruit blijkt dat Domela niet alleen veel aan de beweging spendeerde, maar ook nonchalant met zijn geld omsprong. Solide kapitaalbeheer behoorde tot de pijlers van de burgerlijke maatschappij en dat Domela onzorgvuldig belegde, 'speculeerde' en afweek 'van den solieden weg', was voor de familie onbegrijpelijk. 'Welk huisvader laat zich met zaken in waarvan hij niets verstaat!'

Toen Domela in financiële nood zijn broers onder grote druk zette - wat een schandaal voor de familie als hij failliet zou gaan! - sprongen ze hem ondanks alles bij. Het was voor alle betrokkenen moeilijk voorstelbaar dat hij werkelijk als proletariër zou leven; ergens was hij toch een heer van stand. Geheel zonder geld kon hij dus niet, maar hij betrachtte grote soberheid en zijn financiële slordigheid was wellicht zoiets als een poging verlost te worden van de morele druk van de rijkdom. Dat lukte hem aardig. Maar gelukkiger werd hij er niet op. Zoals hij in een van de brieven van deze soms roerende collectie schrijft: hij deugde niet meer voor 'genietingen'.

    • Henk te Velde