De beste gedichten van de Friese dichter Obe Postma; Van de mensen heel 't bestaan

Voor de Friese dichter Obe Postma is het Friese landschap de stoffering voor zijn verlangen om 'het wezen van heel de wereld' te kennen. Bij zijn besef van wat voorbij is, overheerst de gelukservaring: 'De mens kan het bewaren.' Onlangs verscheen een tweetalige editie met een keuze uit zijn gedichten.

Obe Postma: Van het Friese land en het Friese leven / Fan it Fryske lân en it Fryske libben. Een keuze uit de gedichten. Vertaald door Jabik Veenbaas. Meulenhoff, 168 blz. ƒ 39,90

't Hat west, it is. De aktualiteit fan Obe Postma. Themanummer van tijdschrift Trotwaer, te bestellen door ƒ 25,- over te maken op postgiro 2304474 t.n.v. Administraasje Trotwaer, Bolsward.

Skriuwers Yn Byld 6: Obe Postma (1868-1963), Friese Pers Boekerij, 48 blz. ƒ 15,-

Met de bekendheid van en waardering voor het werk van de Friese dichter Obe Postma (1868-1963) was het buiten Friesland tot voor kort slecht gesteld. Hij schreef in het Fries, over het Friese land en leven: over torenspitsen, koeien, weiden, blije velden en Friese knapen.

'Het gevaar is dat zijn poëzie wordt afgedaan als provinciaal', zegt Philippus Breuker, hoogleraar Friese Taal- en Letterkunde aan de universiteiten van Amsterdam (VU) en Leiden, en samensteller van de bundel Van het Friese land en het Friese leven/ Fan it Fryske lân en it Fryske libben, waarin Postma's beste werk is verzameld. Zulke vooroordelen staan volgens Breuker het begrip van Postma's werk in de weg. 'Friesland heeft voor Hollanders een dubbel gezicht: de clichébeelden van onbeschaafdheid aan de ene kant en een zuivere wereld, een verloren eenvoud aan de andere. Maar ik heb er vertrouwen in dat bij aandachtige lezing de bijzonderheid van Postma's dichterschap wordt erkend.'

Breuker heeft ook zijn bedenkingen bij de Friezen die Postma als een typische Friese volksdichter willen zien: 'Friesland is zijn stof, niet zijn thema. Men ziet in hem graag de boerenzoon, terwijl ik in hem de neo-kantiaan zie die past in het Geistesgeschichtliche denken van rond de eeuwwisseling.'

Postma was een bescheiden man, die zich vooral bezighield met poëzie en wetenschap; uit zijn gedichten wordt wel een latente homoseksualiteit afgeleid,maar een actief liefdesleven had hij niet. Postma, geboren in Koarnwerd werd, studeerde wis- en natuurkunde in Amsterdam, publiceerde veel over natuurkunde en was tot zijn pensioen leraar wiskunde. Vanaf 1918 legde hij zich wetenschappelijk geheel toe op de geschiedenis van Friesland.

Met dichten begon Postma op zijn tweeëndertigste, in 1900. Zijn eerste bundel, Fryske Lân En Fryske Libben, verscheen in 1918. Postma's interesse beperkte zich niet tot het Friese literaire leven: hij verwijst in zijn werk naar Rilke en Goethe, en er is een duidelijke invloed van Shakespeare, Keats en Gorter. In Friesland bleef Postma door de jaren heen populair, zoals mag blijken uit het succes van de Samle Fersen (1978). Een kleinere selectie is te vinden in de nieuwe, tweetalige bloemlezing.

In de gedichten zien we de jonge en ouder wordende dichter met plezier en met nostalgie kijken naar het landschap, de seizoenen en de zwoegende boeren. In een regel als 'Al wat ik schrijf is waar gebeurd' verklaart hij zichzelf tot een realist, maar de observaties zijn aanleiding tot bespiegelingen die veel verder reiken. Postma wil in de boeren 'de zielen zien, de loop van 't leven en van de mensen heel 't bestaan', hij voelt als dichter de eeuwigheid in zich geopenbaard. Hij is op zoek naar het wezen der dingen, 'het wezen van heel de wereld' zoals het heet in 'De stof van de dichter'.

Geluk

'Het unieke van Postma is dat hij de ervaring van het tijdelijke in een historisch perspectief zet', zegt Breuker. 'Hij heeft een historisch bewustzijn, waarin geen verschil in kracht is tussen wat nu is en wat vroeger geweest is. Er is geen Nederlandse dichter die wat dat betreft op hem lijkt. Bij zijn besef van wat voorbij is, overheerst niet de melancholie, zoals bijvoorbeeld bij J.C. Bloem, maar de gelukservaring: het geluk ook dat wat geweest is, vast te kunnen houden. De mens kan het bewaren, zegt hij.'

Die gedachte is het mooist verwoord in het gedicht 'Overdenking' (Oertinking, 1940). Het gaat over de doden die eerst nog in onze herinnering blijven leven, dan alleen nog als namen op stenen. Uiteindelijk vergaan ook de stenen en worden de woorden vergeten. Van geslacht op geslacht blijven 'hun bloed en hun geest' voortleven, tot ook die 'bloedstroom' verstrooid wordt. De regels die dan volgen zijn troostrijk en geven zin aan elk bestaan: Maar wat geweest is is iets anders dan wat niet geweest is, Buiten 's mensen niet-weten en verblinding. Het moet blijven staan in de Geest die in alles leeft; In al zijn fasen zal het behouden blijven.

Breuker opent een archiefkast in de Fryske Akademy en toont een lange rij schriften: aantekeningen van Postma, uittreksels van boeken. Voorop staan trefwoorden als 'Friesland' en 'filosofie'. 'Dat we deze hebben is een groot geluk', zegt Breuker. 'Zo weten we bijvoorbeeld zeker dat hij met het werk van Kant bekend was - dat bleef anders een uit de gedichten afgeleide hypothese.'

Een deel van de populariteit van Postma ligt in zijn beschrijvingen van het Friese landschap, waar mensen hun omgeving in herkennen. Maar Breuker spreekt van een 'filosofisch dichterschap', sterk beïnvloed door het transcendente idealisme van Kant, dat zich toespitst op de verhouding tussen de menselijke werkelijkheid en de wereld zoals die op zichzelf is. 'Die twee zet hij naast elkaar: de dagelijkse dingen roepen levensvragen op.'

Postma's bescheidenheid keert terug in zijn poëzie: hij noemt zichzelf als dichter een 'onnozele roeper in een verlaten land'. 'Maar dat is een truc', zegt Philippus Breuker, 'in werkelijkheid is hij niet onzeker over zijn eigen positie. Hij houdt zich bezig met dingen die onoplosbaar lijken. Daarom neemt hij met opzet een pose van onwetendheid aan, van tekortschieten. Dan, aan het eind van het gedicht, flikt hij het toch maar.'

Toch is die bescheidenheid niet helemaal gespeeld. 'Hij voelde zich een dienstbaar dichter, een middelaar. Hij zegt ergens: mijn poëzie komt over mij. Hij zoekt wat er al is: het uitgangspunt is dat hij alleen maar de dingen ontraadselen kan - de houding van een wetenschapper.'

Over roem en erkenning buiten Friesland heeft Postma zich waarschijnlijk niet druk gemaakt: daar ging het hem niet om, meent Breuker. 'Hij koos bewust voor een Fries dichterschap. Hij heeft de taal ook nog verdedigd tegenover Gomperts, die het 'bargoens' noemde. Hij had vertrouwen in het overleven van de Friese taal.'

Mede door de bloemlezing staat Postma, zeker in Friesland, nu sterk in de belangstelling. Onlangs werd herdacht dat hij vijftig jaar geleden de Gysbert Japicxprijs kreeg, een Friese literaire onderscheiding, voor zijn bundel It Sil Bistean ('Het blijft bestaan'). Er verscheen een 'schrijversprentenboek', en een aan Postma gewijd themanummer van het blad Trotwaer ('Trottoir'), waarin Postma wordt gehuldigd, al is er ook een enkel kritisch woord. Gekscherend werd al geopperd dat Postma de Nobelprijs moet krijgen. 'Dat is een beetje onzin', zegt Philippus Breuker. 'Ik zou hem ergens tussen Leopold en Bloem plaatsen, qua niveau en aard van zijn poëzie.'

Trotwaer signaleert een popularisering èn trivialisering van Obe Postma: een van zijn verzen staat op een muur van het Fries Museum, in de Leeuwarder schouwburg De Harmonie is een borstbeeld van de dichter geplaatst, en er worden 'literaire busreizen' georganiseerd rond Postma.

Zelf voelde Postma zich ongemakkelijk als hem eer werd betoond, zoals mag blijken uit Fan Earbiwizen En Alde Brieven (1959) (Van Eerbewijzen En Oude Brieven). In de eerste regels constateert hij dat er inmiddels straten naar hem genoemd worden en zijn beeltenis op een schilderij vereeuwigd is. Maar van meer waarde zijn voor hem brieven die hij krijgt van vrienden, die schrijven dat ze veel aan hem te danken hebben. Postma blijft bescheiden: Maar in het gedicht zal de opvlucht van het ogenblik De ziel boven het van zichzelf bekende kunnen tillen. Zo zou ik dan kunnen weggeven wat ik niet bezat.

Mienskip

De sleat mei kikkertsblom

De úttrape wâl in byt begroeid

Ofearte pôle en tehaffle reid -

De miedkraach mei syn dracht

Fan klaver, blommeguod en al

Wat op 'e seine wachtet

Kaam gear yn my.

It lûd, dat fan 'e hiemen komt

It balten dat oer 'e lânen klinkt

En al 't bedriuw Dat libben om my hinne giet

Kaam gear yn my.

It folk dat hjir syn wenstee hie

En wat der bodde en wrotte d'ieuwen oer

En al wat hjir troch bloei en stjerren gong

Kaam gear yn my.

Gemeenschap

De sloot met kikkerbeet

De uitgetrapte wal karig begroeid

Afgegraasde stek en aangevreten riet - De weide met zijn dracht Van klaver, bloemetjes en al Wat op de zeis wacht

Werd één in mij.

t Geluid dat van de erven komt

't Geloei dat door de velden klinkt

En heel 't gewoel Dat me zo levendig omgeeft, Werd één in mij.

Het volk dat hier zijn woonstee had

En wat er sloofde en zwoegde eeuw na eeuw

En al wat hier door bloei en sterven ging

Werd één in mij.