Bezweken voor Al Khalid

Ze nam de klas over van een collega die de klas niet aankon. “Wat ik kreeg was een rotklas”, zegt ze nu, tijdens de rapportvergadering, “een puinhoop was 't, en 't heeft me drie weken gekost om de boel op orde te krijgen.”

Ze moet het kwijt en ze gunt zich de tijd niet adem te halen. Wij leraren die dezelfde klas lesgeven luisteren mee, maar het is vooral bedoeld, striemend, voor de leiding, conrector, coördinator, mentor, die de vergadering voorzit. Maar nu ze het kwijt is, weet ze niet meer waar ze was, wat ze nog wilde zeggen. Ze haalt adem - en onbewust wij ook.

“En ja, nu gaat 't goed, iedereen werkt, er is orde, maar alleen die Shawad, dat vind ik zo'n vervelend, lamlendig joch, gatverdarrie!...”

Ik twijfel er geen moment aan dat zij het kan, deze docente, dat ze over de kracht en vooral het venijn beschikt willekeurig welke klas in 't gareel te krijgen. Een roofvogel. Rotklas, puinhoop, gatverdarrie - als ze uithaalt, met gekromde klauwen, verwondt ze.

Maar, Shawad - dàt verbaast me. Zeker, ook ik heb moeite met deze klas van veertien-, vijftienjarige mavo-leerlingen, waar het voor de docent een voortdurend tegen een stroom van onwil en desinteresse oproeien is. De uren lesgegeven aan deze klas zijn tropenuren. Maar juist Shawad is degene die maar zelden kletst, die altijd doet wat ik zeg, nooit lastig is. En dan juist hij, gatverdarrie? Shawad?

Shawad is Marokkaans, van het zuidelijke, negroïde type dat ook in Marokko zelf gediscrimineerd wordt. Altijd draagt hij een trainingsbroek met wijde pijpen, van gladde, ooit turkooizen maar inmiddels vale en vuile stof. De twee truien die hij daarboven draagt, afwisselend, zijn al even oud. Altijd loopt hij op gymschoenen die eens wit waren.

De veertienjarige jongen is een eenling in deze klas, maar geen buitenstaander. Misschien omdat hij een goede kickbokser is, misschien wegens zijn houding van zichzelf-zijn, van niet-meelopen, is er respect voor hem: nooit wordt jegens Shawad een onvertogen woord gesproken, en dat is in deze klas, waar veel ruzie is en men elkaar bij voorkeur uitscheldt, geen kleinigheid. Temidden van het rumoer, het kijven en de onwil, gaat Shawad, min of meer onverstoord, zijn eigen weg.

Hij, armoedig scharminkel, bezit een parel: de gave de dingen te beschouwen, tussen hem en de gebeurtenissen om hem heen een ironische distantie te bewaren. Soms betrap ik hem erop dat hij mij met een vrolijk vonkje in zijn ogen gadeslaat, hoe ik moeite doe de klas op orde te krijgen, een einde aan het alomtegenwoordige geklets te maken, hoe ik mij, al chagrijniger, in het zweet werk. Kijk ik op zo'n moment naar Shawad, rechts naast mij, dichtbij, dan kijk ik recht in zijn ogen en zie die glinstering, die glimlach - niet gemeen, alles licht en vrolijk, en laaf ik mij aan de rust en de wijsheid die van de jongen afstralen.

Soms ook zegt hij, plotseling: “Jij bent raar man.” Dat is dan nadat hij mij een tijdlang geobserveerd heeft, nadat ik een tijdlang zijn blik, geconcentreerd, op mij gericht heb gevoeld. Even, een moment, is de les de les niet meer.

“Waarom ben ik raar?”, vraag ik.

Maar Shawad lacht en haalt zijn schouders op. “Jij bent gewoon raar man.”

“Leg dat eens uit, in een mooi opstel”, probeer ik nog, “dan krijg je daar van mij een hoog cijfer voor, dat meetelt als repetitie voor je eindrapport.”

En dat spreekt hem aan, het lijkt er even op dat ik dat opstel ook zal krijgen. Maar het is nu al weer weken geleden, en ik heb nog niks gezien.

De docente die het met Shawad, gatverdarrie, niet opheeft, pleit ervoor hem naar een andere school - beroepsonderwijs - te sturen. Maar zo slecht is zijn rapport nog niet. Voor haar vak staat hij zwaar onvoldoende, maar voor de overige vakken zijn zijn cijfers niet zo laag, de meeste zelfs voldoende. Wat wel zorgen baart is dat Shawad in vergelijking met zijn vorige rapport gemiddeld een punt achteruitgegaan is.

Die terugval wordt door conrector, coördinator en mentor toegeschreven aan de machinaties van de dikke Al Khalid, een duister sujet dat zich veelvuldig, lamlendig, ophoudt tussen de twee hoofdgebouwen van de school - in de P.L. Takstraat, op openbaar terrein. Te verwijderen valt Al Khalid daar niet, evenmin door de politie, want waarom zou Al Khalid daar niet mogen staan, en dus moeten wij leraren met lede ogen aanzien hoe deze 20-jarige nietsnut onze veertien-, vijftienjarige leerlingen meevoert, weg van school, weg van het rechte pad, in de richting van coffeeshop en joint. Shawad, zo hoor ik nu, blijkt niet ongevoelig voor de charme van Al Khalid en is regelmatig een uurtje afwezig, om op een later uur terug te keren, verdwaasd, met bloeddoorlopen ogen. Omdat ik deze klas altijd 's ochtends lesgeef, heb ik hier nog nooit wat van gemerkt.

“Dat kan toch niet”, zegt de docente, “ik hoef dat toch niet te nemen...” En ze wil weten wat daar aan gedaan wordt door de schoolleiding.

De schoolleiding benadrukt haar onmacht. Voor dit soort dingen komt de politie niet. Ouders inschakelen helpt ook niet, want leerlingen bezwijken doorgaans pas voor de verlokkingen van Al Khalid als thuis de verhoudingen verstoord zijn. Moedeloosheid komt nu over de bijeengekomen docenten; met gebogen hoofd staren zij naar de cijfers op de lijsten, afgerond op de decimaal. Want Shawad is de enige niet, er zijn nog vier, vijf Marokkaanse jongens in deze klas, veertienjarige jongens, die aan Al Khalid en het straatleven de voorkeur beginnen te geven boven een leven thuis en op school. Als zoveel vaker moeten wij constateren: het gaat niet goed met die tweede generatie allochtone kinderen, voor wie de kloof tussen thuis en Nederland zo vaak te groot is. De school, hulpinstanties, politie - iedereen staat machteloos.

“Praten”, zegt de mentor, die een optimiste is, “op ze inpraten. Praten, praten, praten.” Als ik haar na de vergadering een hart onder de riem steek, om het vele vele werk dat zij aan het achternalopen van deze leerlingen heeft, zegt ze: “Je moet van ze houden. Ik houd van die kinderen.”

    • Kees Beekmans