Anti-psychiater op herhaling; Nu heeft papa het gedaan

Jan Foudraine: Bunkerbouwers. Ontmoetingen met afgeslotenen. Ambo, 240 blz. ƒ 34,90

Michael H. Stone: Healing the Mind. A History of Psychiatry from Antiquity to the Present. Norton, 516 blz. ƒ 117,60

' 'Lezer, het wordt tijd dat ik me uit de voeten maak. Ik hoor reeds in de verte de hoeven van de paarden, bereden door de dienaren van de wetenschappelijke inquisitie. Ik heb me de afgelopen vijfendertig jaar te veel laten ontvallen dat 'niet wetenschappelijk toetsbaar' was' ', schrijft de psychiater Jan Foudraine tegen het eind van Bunkerbouwers.

In plaats van om een aanval van paranoïa zal het hier wel om een leuk bedoelde uitsmijter gaan, denk je eerst. Maar na lezing van Foudraines nieuwste boek weet je wel beter. De schrijver valt zelden op een humoristische noot te betrappen. Zijn betoog is bloedserieus en apodictisch van toon, en bovendien even voorspelbaar als saai. Geestesziekten zijn geen hersenziekten, betoogt de schrijver, en psychotherapie heeft niet met praten maar alles met diepe ontmoetingen te maken. Schizofrenie is geen echte ziekte maar het gevolg van een verkeerde programmering door de ouders. Ben je net een beetje vertrouwd geraakt met het idee dat het concept van de schizofrenogene moeder achterhaald is, of daar gooit Foudraine opnieuw roet in het eten. Voor de verandering moeten nu de vaders het ontgelden. In onze maatschappij treft volgens Foudraine niet de moeder maar de vader door zijn (emotionele) afwezigheid in het gezin de meeste schuld. Het gezin kan volgens hem trouwens maar helemaal beter worden afgeschaft.

In de jaren zeventig raakte Foudraine bij het algemene publiek bekend door Wie is van hout... Een gang door de psychiatrie (1971). Bunkerbouwers voegt daar nauwelijks iets aan toe, behalve dan zijn onbewimpelde sympathie voor Verlichte meesters van het type Osho Rajneesh, beter bekend als Bhagwan, of zijn persoonlijke meester Alexander Smit. Jegens de psychiatrische wetenschap blijkt zijn scepsis alleen maar groter te zijn geworden.

Het grote probleem met Bunkerbouwers is dat het meer van hetzelfde is. Van enige ontwikkeling van zijn oorspronkelijke standpunt of relativering daarvan is weinig te merken. Foudraine illustreert zijn betoog met tragische verhalen van mensen die hij in de therapie 'ontmoet'. Daarbij spreekt hij volgens zijn patiënten soms wel erg veel over zichzelf. Indrukwekkend is het schrijnende geval van een jonge secretaresse die vijf maanden psychotisch rondzwerft, omdat Foudraine er niet in slaagt een dwangopname te bewerkstelligen. Ineens ontpopt hij zich hier als een rasechte psychiater die zich terecht kwaad maakt over het laissez faire beleid ten aanzien van psychiatrische patiënten, tengevolge van de nieuwe wetgeving. De mooie praatjes van zijn held Thomas Szasz is hij even vergeten.

Maar nog geen kwartseconde later fulmineert Foudraine al weer onverdroten door tegen het medisch model en het gebruik van medicatie in de psychiatrie. De titel van het boek verwijst overigens niet naar de verstilling die het gevolg kan zijn van de antipsychotica, maar naar de vereenzaming die het gevolg zou zijn van trauma's in de vroege jeugd. Waarom Foudraine als motto een waarschuwing tegen het abrupt staken van psychofarmaca kiest, blijft evenwel duister.

Foudraine citeert slordig. Zo zou de Utrechtse hoogleraar psychiatrie René Kahn in het televisieprogramma Opgenomen tegen Paul Witteman hebben gezegd dat hij om geloofsredenen geen levensbeëindiging zou toepassen bij schizofrene patiënten die dat willen. 'Ik doe het zelf niet, hoor. Ik ben christen en levensbeëindiging hoort niet bij mijn waarden en normen', citeert Foudraine deze psychiater. 'Letterlijk op tv!', schrijft Foudraine er verontwaardigd bij. Maar Kahn heeft dit niet 'letterlijk' gezegd, en zou dit ook nooit zo zeggen, omdat hij geen christen is. Verder noemt Foudraine F.A.M. Kortmann een 'jurist'. Fout. Het blijkt te gaan om de hoogleraar psychiatrie te Nijmegen.

Een enkele keer plaatst Foudraine zijn boek in een historisch perspectief door te verwijzen naar psychoanalytici zoals Sigmund Freud, Frieda Fromm-Reichmann of Harry Stack Sullivan. Fromm-Reichmann (1899-1957), van oorsprong afkomstig uit München, was staflid van Chestnut Lodge in Maryland, waar Foudraine vijf jaar heeft gewerkt. Deze psychoanalytica was de therapeute van Hannah Green die haar behandeling treffend beschreef in I Never Promised You a Rose Garden (1964).

Leerzamer en veel completer is het historisch overzicht dat Michael Stone, hoogleraar klinische psychiatrie van Columbia College of Physicians & Surgeons in New York presenteert in Healing the Mind. A History of Psychiatry from Antiquity to the Present. In zijn boek gaat Stone zijdelings in op de betekenis die de oosterse mystiek voor de op westerse leest geschoeide psychiatrie zou kunnen hebben. Hij doet dat respectvol en zonder zweverig te worden. Tweeduizend jaar geschiedenis in een enkel boek persen, is een schier onmogelijke opgave en toch is Stone daarin redelijk geslaagd. Vooral wat deze schrijver over de recente geschiedenis van de psychiatrie te melden heeft, is zeer de moeite waard. Nog interessanter is zijn visionaire blik op de psychiatrie in de volgende eeuw. De belangrijkste vooruitgang in de komende decennia betreft symptoombestrijding van bijvoorbeeld de positie en negatieve symptomen bij schizofrenie en de stemmingsstoornissen bij patiënten met een bipolaire stoornis. Met levenslang gebruik van antidepressieve medicatie zullen ernstig depressiepatiënten minder vaak en minder catastrofale episodes doormaken, denkt Stone. Ook voor mensen met een angst- of dwangstoornis moet verdere verbetering van de symptomen mogelijk zijn.

Ontdekking van een snelle en effectieve behandeling van mensen met een persoonlijkheidsstoornis of vroege beschadiging door incest of seksueel geweld zit er niet in volgens Stone. Deze categorie patiënten blijft aangewezen op individuele en groepspsychotherapie. De dagen van het ikkerige narcisme in psychotherapieland zijn geteld. Altruïsme en een toenemende aandacht voor spiritualiteit komen daarvoor in de plaats.

Of menselijke hartstochten zoals hebzucht, jaloezie en afgunst ooit door medicijnen zullen verdwijnen, betwijfelt Stone ten zeerste. Als we deze auteur mogen geloven gaat de forensische psychiatrie nog gouden tijden tegemoet. Naar zijn verwachting zullen psychopathie en sadisme in de volgende eeuw nog niet uit ons midden verdwenen zijn. Daarom zal de forensische psychiatrie in dit duistere diagnostische gebied scherpere grenzen moeten trekken tussen herstelbare en onherstelbare gevallen dan nu gebeurt.