Tussen haat en liefde

Regelmatig wordt mij als tv-criticus door vriend en - vooral - vijand gevraagd of dat vele tv-kijken niet vervelend is. Zij hebben wel wat beters te doen.

Wat dan precies? Dat valt niet altijd mee. Zelden krijg ik te horen: het lezen van de hele Russische bibliotheek, of de cursus Frans voor gevorderden bij de Alliance Française.

Vaker ontstaat bij enig doorvragen een moedeloos makende opsomming met bestanddelen als: de afwas, de kinderen naar bed brengen, de financiële huishouding, ongewenst bezoek, ouderavonden, oma in het verpleeghuis.

En daarná?, vraagt de pestkop in mij dan.

Nou ja, daarna zijn ze zó kapot dat een volledige instorting alleen nog afgewend kan worden door de laatste uurtjes zappend door te brengen. En het is verbazingwekkend wat ze dan allemaal te zien krijgen. Hoewel er 'eigenlijk nooit wat op de tv is', kunnen ze overal over meepraten: van Sonja Barend tot Jerry Springer - ze hebben het allemaal gezien.

Ik ken goed opgeleide, in intellectuele beroepen werkzame Nederlanders die, al zappend, in één week meer televisie zien dan alle Nederlandse tv-critici tezamen.

“Heb je gisteren nog naar die prachtige VPRO-documentaire gekeken?”, vraag ik zulke mensen wel eens.

“Nee, ik kwam toevallig bij Jambers terecht. Die gaat wel ver, hè?”

Op zulke momenten besef ik hoe benijdenswaardig het bestaan van de tv-criticus is. Hij kan zonder dergelijke hypocriete alibi's zijn volstrekt autonome gang gaan. Terwijl hij zijn huisgenoten naar de afwas, de ouderavond en oma commandeert, neemt hij neuriënd plaats op de sofa om van een gezellig praatprogramma of een verkwikkende Krimi te genieten. Pa moet werken.

Als de anderen een paar uur later hondsmoe en - nog beter - zeiknat van een gure herfstregen thuiskomen, treffen ze hem schaterlachend bij Jiskefet aan. Zullen ze even meekijken? Jawel, maar laten ze eerst even koffie zetten, want daar was de drukbezette tv-criticus nog niet aan toegekomen.

Kortom, een zorgelozer bestaan is niet denkbaar.

Nadelen? Die zijn er, maar de kunst is om ze door een goede dosering en timing zoveel mogelijk te neutraliseren.

Ik bedoel: je moet ervoor waken dat je op één avond én Peter R. de Vries én Ivo Niehe én Jambers én Willibrord Frequin te verwerken krijgt. Dat vereist in ieder geval een sterkere maag dan de mijne. Rik Felderhof ná Henk Binnendijk? Het is op te brengen, maar zorg er dan voor dat Andries Knevel ten minste drie dagen uit de buurt blijft.

Het is mij, door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, wel eens overkomen dat ik na een loodzware avond met Wim Kayzer ook nog eens een uur lang een interview met premier Kok moest bekijken. Ik werd aangetroffen in een soort coma.

Wat je ook, tot brakens toe, kan opbreken: een teveel aan Mart Smeets.

Goedele Liekens echter, nu we het er toch over hebben - daar kan ik merkwaardig lang naar kijken, hoewel ik noch haar, noch een van haar gasten ooit op een mededeling van zelfs maar het miniemste belang heb kunnen betrappen.

Waarmee ik maar wil zeggen: het samenstellen van het ideale tv-menu is een heel persoonlijke kwestie. Lukt het je, dan hoeft het kijken naar televisie helemaal niet vervelend te zijn.

Een bekende retorische vraag aan mijn adres (alsof ik het kan helpen) is ook: is er niet veel te weinig kwaliteit op de televisie? Men verwacht uiteraard (“jij bent toch van een kwaliteitskrant?”) een instemmend antwoord. Maar juist dán krijg ik een onbedwingbare aanvechting om de televisie in bescherming te nemen.

Mijn favoriete stelling is immers: de televisie biedt 90 procent pulp en 10 procent kwaliteit. Dat is altijd zo geweest en dat zal altijd wel zo blijven. Omdat er veel meer zenders zijn dan vroeger is er meer pulp, maar ook meer kwaliteit. Wie zijn talen een beetje spreekt en een brede interessesfeer heeft, kan elke avond een paar uurtjes boeiende televisie zien.

We kunnen wel veel kankeren op die vermaledijde televisie, en dat moeten we ook vooral blijven doen, maar wie van ons trekt de consequentie en gooit dat ding zijn raam uit? Als we eerlijk zijn, zullen we het niet ontkennen: de televisie kunnen we niet missen, misschien zelfs geen dag. Als tv-kijker verkeren we elke avond tussen walging en voldoening, tussen haat en liefde, maar we willen niet anders.

Te zijner tijd, als ik geen tv-criticus meer ben, ga ik ongetwijfeld elke avond in de Russische bibliotheek lezen. En áls ik televisie kijk, zal ik het zo verantwoord mogelijk doen: veel Wim Kayzer dus - dat beloof ik. Maar het zou mij niets verbazen als ik af en toe, uiteraard argeloos zappend, bij Jerry Springer terechtkom, en misschien zelfs wel bij Goedele Liekens.

    • Frits Abrahams