Sofia Goebaidoelina dwingt tot medemediteren

Concert: Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw. Werken van Goebaidoelina, Sjostakovitsj en Hosokawa.

Gehoord 12/11 Concertgebouw Amsterdam.

Wat is bovenpersoonlijke muziek? Sofia Goebaidoelina, de centrale componiste in de Serie Tijdgenoten woensdag in het Amsterdamse Concertgebouw gaf een antwoord. Zij formuleerde dit in de cantate Nacht in Memphis voor mezzo-sopraan, mannenkoor en orkest naar oud-Egyptische teksten uit 1968. Je leest er vaak over, als een vertrekpunt in het oeuvre van deze Russisch-Tataarse componiste, maar je hoort het zelden. In 1982 herinnerde ze er in een interview aan, dat er nog steeds geen uitvoering van was geweest.

Het persoonlijke komt in deze zevendelige cantate tot uiting in de partij voor de opmerkelijk lage mezzo-sopraan en het bovenpersoonlijke wordt uitgedrukt door een ook al laag sonoor mannenkoor, dat op de band moet klinken, als van elders. De band die uit Rusland meekwam, bleek van een onvoldoende kwaliteit, maar het mannenkoor van de Russische-Orthodoxe kerk in Amstelveen bood de luisterrijke oplossing.

Ook in de behandeling van de intervallen trachtte Goebaidoelina deze scheiding in een menselijk bewogen en bovenmenselijke muziek tot uitdrukking te brengen. De kleine intervallen zijn er voor de solostem; reine en overmatige kwart zijn voorbehouden voor de mannenstemmen. In de delen 2 en 4 komt het tot een confrontatie.

Is Goebaidoelina in die dertig jaar veranderd? Destijds componeerde zij vanuit een toonhoogte-organisatie, later vanuit een ritmische vormgeving. De techniek mag dan anders zijn, het concept is in wezen hetzelfde gebleven: één zoektocht naar het spirituele in de muziek als een quasi-objectieve klankwereld van elders.

Toch hoorde ik essentiële verschillen met het meer recente Descensio uit 1981. De titel verwijst naar de nederdaling van de heilige geest, zoals die met pinksteren in de Russisch-orthodoxe kerk wordt herdacht. Het getal 3 speelt een hoofdrol. Er zijn drie groepen van instrumenten en op het hoogtepunt - of meer letterlijk dieptepunt, wanneer namelijk de nederdaling is voltooid - roffelen de pauken een drieklank. Wonderlijk genoeg niet 30 maten lang maar 20.

Nog een belangrijk verschil met zo'n vroegere compositie is de concentratie op minder complex materiaal in een beter uitgebalanceerde ontwikkeling in de tijd. Werkte de cantate nog als een reeks van korte stukken met het contrast als belangrijkste sturingselement, Descensio is ondanks zijn drie onderdelen een werk uit één stuk dat veel meer tot luisteren dwingt.

Het etherische begin in glinsterende klokkenklanken is meer dan het aanreiken van een religieuze sfeer. Het is een medidatie die je langzaam inspint en waaruit geen ontsnappen meer mogelijk is. En zulke combinaties als een sonoor trombone-koor met scherpe vervreemdende interjecties van harp en piano, als een licht vloekend zilverbeslag op een oude doorrookt gouden ikoon - die had ze vroeger zeker niet bedacht.

Geconcentreerd en intens zou ik Voyage III voor trombone en ensemble van Toshio Hosokawa niet willen noemen, al speelt het stuk dat hier in première ging zijn hoogste troeven tegen het slot toe uit. Dat Goebaidoelina gecharmeerd is van deze sterk door het zenboeddhisme beïnvloede Japanner is te begrijpen, zijn contemplatieve reizen in het innerlijk van de mens komen Goebaidoelina's medidaties nabij. Maar hier is de klank - hoe esthetisch op zichzelf ook - te veel opgetuigd en het opvoeren van de intensiteit te stereotiep om werkelijk dwingend over te komen.

De uitvoeringen stonden op het allerhoogste niveau, met klankkleuren werd door het geïnspireerde Schönberg Ensemble gewoekerd en een regelrechte verrassing betekende de bijdrage van mezzo-sopraan Helena Rasker, een boventoon-rijke en radeloze klank, tenderend naar een alt. Een naam om te onthouden.