Japanners van nu brengen geld in het land

De Chinese premier Li Peng is deze week op bezoek in Japan. De gesprekken gaan vooral over economie. Maar onvermijdelijk komt ook het oorlogsverleden weer ter sprake, dat de verhoudingen tussen beide landen nog steeds beheerst. Een stemmingsbeeld uit wat eens 'kamp 731' was.

PINGFANGQU, 13 NOV. Het is de dag dat de Chinese premier Li Peng handen schudt met de Japanse keizer Akihito. En in Pingfangqu, een gehucht in China's oostelijkste provincie Heilongjiang, raapt een boerenvrouw aan de voet van een vervallen fabriekspijp, dode takken. De pijp is net zo vervallen als de wijk die hier in de afgelopen veertig jaar omheen is gebouwd. Het is vrijwel het enige in Pingfangqu dat aan 'eenheid 731' doet herinneren. Een medische eenheid van het Japanse keizerlijk leger waarvan nog maar een twintig tal jaren geleden werd ontdekt dat zij zich tijdens de Tweede Wereldoorlog bezighield met beestachtige chemische experimenten op gevangen genomen Chinezen, Russen, Koreanen en een enkele Europeaan. “Ik weet alleen dat hier veel Japanners komen kijken” zegt de boerenvrouw. “Maar waarom precies?” Ze haalt haar schouders op en raapt verder.

Toch zijn het herinneringen aan dergelijke gruwelverhalen die dikwijls op de achtergrond de betrekkingen tussen China en Japan beïnvloeden. Want dergelijke gebeurtenissen en de wetenschap dat de bereidheid voor de erkenning van deze misdaden in Japan niet zo groot is als Peking zou willen, staan de opbouw van een gezonde vertrouwensrelatie tussen beide landen meer dan eens in de weg. Mocht al enige twijfel bestaan over de intenties van Japan waar het bijvoorbeeld de militaire samenwerking betreft die Tokio in september met Washington overeen is gekomen, dan geven veel Chinezen, zodra het Japanse oorlogsverleden ter sprake komt, de voorkeur aan een defensieve houding.

In Pingfangqu is het niet anders. De resten van het kamp, waar 4.000 gevangenen als menselijke proefkonijnen bij de ontwikkeling van chemische wapens om het leven zijn gekomen, mogen dan bijna zijn vergaan, maar sommigen worden op slag kwaad bij de gedachten aan de oorlog. “Japanners zijn zo onbetrouwbaar als de pest”, zegt een inwoner van het dorp. Een ander werpt tegen. “Maar die van nu kunnen er ook niets aandoen.” “Ja”, zegt de eerste “ze brengen geld in het land.” En daarmee is het gesprek beëindigd.

Japan is China's belangrijkste handelspartner, vorig jaar was het zelfs goed voor een handelsvolume van 60 miljard dollar en in die zin, dat geven velen in China toe, zijn Japanners welkom. Sommigen evenwel, zoals de Oost-Azië deskundige Du Fangli uit Peking, denken daar genuanceerder over. Du gelooft dat Japanse industriëlen moedwillig laagwaardige produkten naar China exporteren. “Zij gunnen China zijn groei niet van harte”, zegt ze. Het zijn gedachten die vooral lijken voor te komen uit een diep wantrouwen. Wantrouwen dat zijn wortels heeft in een onverwerkt oorlogsverleden, waarvoor Japan volgens de algemene opinie in China zich niet voldoende heeft verontschuldigd.

Ondanks de goede woorden van Japanse politici de afgelopen dagen aan het adres van de bezoekende Chinese premier, is deze blijven waarschuwen tegen de ongewenste inmenging van Japan in wat China beschouwt als zijn binnenlandse aangelegenheid; de kwestie van de afvallige provincie Taiwan, die volgens Peking impliciet is opgenomen in de veiligheidszone zoals vastgelegd in het Japans-Amerikaanse defensieve samenwerkinsverdrag. “Natuurlijk moet China oppassen”, zegt een suppoost van het herdenkingsmuseum nabij de resten van 'kamp 731'. “Dit wat hier is gebeurd, wordt niet eens op Japanse scholen onderricht.” Laat staan het pijnlijke feit dat Amerikaanse militairen enkele Japanse doktoren na 1945 vrijuit hebben laten gaan, in ruil voor de medische onderzoeksgegevens die zij tussen 1939 en 1945 hadden verzameld. “Daarom verbaast het mij niet dat de Verenigde Staten en Japan een verbond tegen China hebben gesloten”, aldus de suppoost.

    • Floris-Jan van Luyn