In Liefde Bloeyende

Menno Wigman (geb. 1966)

Jeunesse dorée

Ik zag de grootste geesten van mijn generatie

bloeden voor een opstand die niet kwam.

Ik zag ze dromen tussen boekomslagen en ontwaken

in de hel van tweeëntwintig steden

heilloos als het uitgehakte hart van Rotterdam.

Ik zag ze zweren bij een nieuwe dronkenschap

en dansen op de bodem van de nacht.

Ik zag ze huilen om de ossen in de trams

en bidden tussen tweemaal honderd watt.

Ik zag ze lijden aan een ongevraagd talent

en spreken met gejaagde stem:

was alles al gezegd, nog niet door hen.

Ze waren laat. Aan geen belofte werd voldaan.

De steden blonken zwart als kaviaar.

De poëzie begint altijd opnieuw. Een mens wordt ouder en krimpt. Een boom wordt ouder en sterft. De poëzie wordt ouder en begint van voren af aan.

De ouderdom van de poëzie bestaat uit een naar believen herhaalbare reeks verjongingen. Er is geen vooruitgang in de kunst - vooruitgang zou betekenen dat de gedichten er elke eeuw beter op werden. Er zijn alleen cyclische bewegingen - elke nieuwe generatie die zichzelf de moeite waard acht kan doen of haar neus bloedt. Elke nieuwe dichter vindt het wiel uit.

Ik zou de opvatting kunnen huldigen dat er ook door te veel verjongingen slijtage kan optreden. Ik zou de opvatting kunnen huldigen dat de poëzie door té vaak het wiel opnieuw uit te vinden moe is geworden. Maar ik weet - diep in mijn hart - dat zo'n opvatting neerkomt op de zoveelste verjonging in onze kijk op de poëzie.

Er is een last van de traditie die moedeloos kan maken. Er is ook een traditie die vitaliseert. De dichter van nu sleept een lange poëtische ontwikkeling met zich mee, het is waar, maar hij is niet verplicht zich er iets van aan te trekken. Hij kan met alles wat zijn voorgangers hebben bereikt zijn gat afvegen - dit in tegenstelling tot de dokter, de bankier en de ontdekkingsreiziger. De dichter van nu ziet een wereld om zich heen waarin alles uitwisselbaar, synchroon, hiërarchieloos is, het valt niet te loochenen,maar niets belet hem om uit zijn persoonlijke hoge hoed zingevingen, uniekheden en prioriteiten te toveren.

Hoe luider de moedelozen van geest roepen dat het einde van de poëzie nabij is, hoe waarschijnlijker het me lijkt dat er 'ergens' al een volkomen nieuwe poëzie in de maak is - nog ongezien, nog onherkenbaar.

Moet nieuwe poëzie per definitie op de oude lijken? Ik wil het nog even - op het gevaar af te worden aangezien voor een druïde of een prinses van Oranje - over de boom hebben. Elk jaar groeit een nieuwe boom om de oude heen. 't Is een geheel nieuwe, geheel frisse, geheel andere boom geworden. Na een tijd, evenwel, lijkt hij toch weer verdacht op de vroegere boom. Wat nu als er ineens een volstrekt ander soort boom lijkt te zijn opgegroeid? Of een boom die helemaal niet op een boom lijkt? Waar de houthakkers aan voorbijlopen en de specht geen heil in ziet?

Het lijkt me niet mogelijk met bomen. Daarom moeten bomen sterven - tot en met de laatste. Met poëzie is het anders. Poëzie is kunstig. Kunst is een slechte leerling van de natuur. Het is niet ondenkbaar dat de poëzie 'zoals we die kennen' stervende is en dat er al een poëzie bestaat die wij - of een ander soort mensen - pas over enige tijd - korte tijd, lange tijd - zullen aanduiden met de naam poëzie.

Ook dan heeft men die poëzie te danken aan de traditie, al is het aan het doodbloeden van de traditie.

Traditie, het is een mishandeld woord. Traditie leeft van verzet. Of van unzeitgemäss teruggrijpen. Nooit van identificatie.

De poëzie kent zelfs allang een traditie van doodgebloede tradities.

Over oud en nieuw, over traditie en verjonging, over uitzichtloosheid en optimisme gaat ook dit gedicht van Menno Wigman. Hij maakt deel uit van een generatie die - als we op de eerste regel mogen afgaan - maar meteen is begonnen met grote geesten. Ze waren er vroeg bij. 'Ze waren laat', schrijft Menno Wigman. Het is voor hem hetzelfde

Ik zag ze dromen tussen boekomslagen en ontwaken

dat wil zeggen, tussen al wat geschreven is en de dageraad. Er komen in het gedicht eeuwige dingen voor als opstand, dronkenschap, dansen - er komen in het gedicht generatie-begrippen voor als bodem van de nacht, ongevraagd talent, gejaagde stem. Haast. Het geheel laveert tussen het jeugdige tweeëntwintig - kijk uit, pas op - van de afgeleefde steden en het oeroude tweehonderd van de nieuwe gebedsruimte. De ruimte van zweren, dansen, huilen, bidden - minder niet. Van lijden en onvervuldheid. Dan die regel die klinkt als een klok

was alles al gezegd, nog niet door hen

waarmee eindelijk alles is gezegd. De poëzie begint steeds opnieuw. De poëzie moet steeds opnieuw beginnen - zolang er mensen opnieuw beginnen. Ook dezelfde poëzie is altijd andere poëzie.

In Wigmans slotregel blinken de steden. Goud blinkt eveneens, zoals we weten. Hoe blinkt de jeunesse dorée uit de titel dan wel als de steden al zwart als kaviaar blinken?

Het is afgelopen met het vuil en het roet, dat is duidelijk. De steenkolenmijnen zijn voorgoed gesloten. De poëzie sluit nooit. Revoluties stellen teleur. Luxe heeft het laatste woord.

    • Gerrit Komrij