Imago; Ook academici kijken naar soap

Intellectuelen keken vroeger geen televisie, althans, dat beweerden zij. Maar het taboe is aan het slijten.

TOEN DE THEOLOOG Fokke Sierksma in de jaren zestig aan de Leidse universiteit vertelde dat hij een televisietoestel had gekocht, keken zijn collega's hem aan “alsof hij zijn gulp had open staan”, zo zei hij ooit. Televisiekijken, dat deden intellectuelen niet. De televisie was vanaf de beginjaren volksvermaak en stond derhalve in een kwade reuk. Eind jaren vijftig werd in betere kringen spottend gezegd: “Als je televisie wilt kijken, moet je bij je werkster zijn.”

“Intellectuelen staan altijd wat aarzelend tegenover de introductie van nieuwe technologie”, zegt Jo Bardoel, docent communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. “Televisie was daar geen uitzondering op.” Ook Wim Knulst, hoogleraar vrijetijdswetenschappen aan de Katholieke Universiteit Brabant, ziet parallellen met de opkomst van de film en de radio en zelfs met boeken. “De gegoede burgerij maakte zich begin deze eeuw grote zorgen over dienstmeiden die romans lazen, want dat was sensatiezucht, terwijl lezen tegenwoordig juist statusverhogend is.”

Bestaat het taboe op televisiekijken bij vooral hogeropgeleiden nog? Daarover zijn de meningen verdeeld. “Ik denk dat het oordeel au fond nog steeds negatief is”, zegt Bardoel. Emeritus hoogleraar massacommunicatie Anne van der Meiden is het daarmee eens. “Je kunt tegenwoordig in bepaalde kringen wel zeggen dat je naar soap hebt gekeken, als je er maar bij zegt dat je erg moe was. Of dat je met je oude moeder hebt gekeken, die niet alleen kan zijn. Dat soort flauwekul.” Volgens Van der Meiden wordt het taboe op televisiekijken zelfs weer wat sterker, met de opkomst van stations als RTL4 en Veronica. “Er is een nieuw taboe aan het ontstaan op het kijken naar bepaalde commerciële zenders.”

Mediasocioloog Peter Hofstede ziet echter juist in de opkomst van tal van nieuwe zenders een oorzaak van het verdwijnen van televisietaboes. Doordat mensen niet meer allemaal naar dezelfde programma's kijken, verdwijnt ook de sociale controle op het kijken, meent hij. “Als ik een verschrikkelijke geweldsfilm op Canal+ heb gezien, dan is het erg moeilijk om iemand te vinden die die film ook heeft gezien.” Volgens Hofstede is de televisiekijker een 'calculerende kijker' geworden. “De vraag hoeveel geld iemand ervoor over heeft om een bepaald programma of een bepaalde film te zien, speelt een veel belangrijkere rol dan sociaal prestige of gêne.”

Knulst, die jarenlang onderzoek deed naar vrijetijdsbesteding bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), wijst erop dat mensen de tijd die zij voor de televisie doorbrengen gemiddeld met tien tot twintig procent ónderschatten, terwijl ze de tijd die ze besteden aan lezen gemiddeld met honderd procent óverschatten. Knulst: “Dat heeft niet alleen te maken met de vluchtigheid van het medium televisie. Daar zit ook schaamte bij, want als die verkeerde inschattingen alleen het resultaat waren van het niet goed bijhouden hoe vrijetijd wordt besteed, dan zou je zowel onder- als overschattingen verwachten. Dat is niet zo.”

Die schaamte is wel een generatiekwestie, aldus Knulst. Jonge academici zijn volgens de hoogleraar 'de schaamte voorbij'. “Zij komen er openlijk voor uit dat zij graag naar soaps kijken. Het is best mogelijk dat het taboe op veel naar de televisie kijken - vanuit een calvinistische afkeer van ledigheid - nu groter is bij ouderen met een minder hoge opleiding dan bij academici van na 1960.” Bardoel heeft hetzelfde geconstateerd. “Als ik vroeger aan mijn studenten vroeg naar welke omroepen ze keken, werden altijd de VPRO en de NOS genoemd. Nu noemen ze ook gewoon RTL4 en Veronica.”

Volgens Knulst zijn er voor het doorbreken van dit taboe bij jongere hogeropgeleiden sociologische oorzaken aan te wijzen. Vanaf de jaren zestig gingen voor het eerst op grote schaal jongeren studeren die niet afkomstig waren uit de gegoede burgerij en die dus ook niet van huis uit waren gevormd door het Bildungs-ideaal van de hogere burgerij. Centraal daarin stond de gedachte dat voor cultuur een inspanning dient te worden verricht, dat je voor alles dat de moeite waard is moeite moet doen. Knulst: “Cultuur gebeurde buitenshuis. Iets waar je geen enkele moeite voor hoeft te doen, zoals televisiekijken, kon dus nooit iets met cultuur te maken hebben.”

Vanaf de jaren zestig is dit Bildungs-ideaal - mede door de massaliteit van het hoger onderwijs - doorbroken en daarmee verdween ook voor een belangrijk deel het taboe op genieten van 'gemakkelijk' televisievermaak.

Maar dit betekent niet dat hoger opgeleiden zich in hun kijkgedrag helemaal niet meer onderscheiden van andere groepen in de maatschappij. Zij kijken over het algemeen wat minder televisie, omdat zij door hun betere financiële positie ook minder op de televisie zijn aangewezen voor vermaak. Hogeropgeleiden kijken ook wat minder naar de commerciële zenders. De verschillen zijn er, maar ze worden sterk overdreven en bovendien worden ze steeds kleiner. Uit onderzoek van het SCP bleek dat de academici in 1975 dertig procent minder televisiekeken dan mensen met alleen een lagereschoolopleiding. In 1990 was dat verschil nog maar twintig procent.

Niet voor alle programmagenres is het taboe overigens zo grondig doorbroken als voor soaps. Voor erotische programma's bestaat het nog steeds. Terwijl uit de onverbiddelijke - elektronisch geregistreerde - kijkcijfers blijkt dat de kijkdichtheid van bijvoorbeeld het SBS6-programma De Wallen Op Stap onder mannen onder de hoogste welstandsklasse tussen de 20 en 39 jaar met 5,3 maar een fractie lager is dan onder mannen in dezelfde leeftijdscategorie in de lagere welstandsklasse (5,9). Ook vrouwen tussen de 20 en 39 in de hogere welstandsklasse kijken niet zoveel minder naar het programma De Bevalling, eveneens van SBS6, dan vrouwen in de lagere welstandsklasse (4,8 tegenover 6,2). “Je ziet daarom rond deze programma's regelmatig reclameboodschappen die zich uitsluitend richten op mensen in de hogere sociale klassen”, zegt John Hoedjes, inkoper van reclamezendtijd bij het bureau Media Exposure, dat deze cijfers verstrekte.

Het Journaal en actualiteitenprogramma's zijn nog steeds de meest gehoorde, sociaal wenselijk geachte antwoorden op de vraag naar welke programma's mensen graag kijken. Maar de taboes over televisiekijken zijn dus wel aan slijtage onderhevig. Dit betekent niet dat hogeropgeleiden nu wel naar allerlei amusementsprogramma's kijken, waar ze vroeger niet naar keken. Hoogleraar Knulst: “Dat deden ze altijd al. Hogeropgeleiden keken vroeger ook naar Mies Bouwman. 'Doe-shows' hadden zulke hoge kijkcijfers, omdat iedereen er naar keek. Het enige verschil is dat intellectuelen nu makkelijker toegeven dat zij kijken.” De hypocrisie rondom televisiekijken is dus wat afgenomen. Toch betreurt Knulst het ook dat het Bildungs-ideaal veel van zijn kracht heeft verloren. “Uit het oude adagium 'oefening baart kunst' is veel moois voortgekomen.”