Fiscus 2000

IN NEDERLAND betaalt twee procent van de bijna elf miljoen belastingplichtigen het hoogste tarief van de inkomstenbelasting. Het betekent dat een kwart miljoen mensen een belastbaar inkomen hebben van meer dan 102.000 gulden. Ze brengen wel bijna eenvijfde van de totale belastingen en sociale premies op. Daar staat tegenover dat elf procent van de belastingplichtigen geen cent inkomstenbelasting of premies betaalt omdat hun inkomens binnen de belastingvrije voet vallen.

Deze gegevens zijn ontleend aan de 'verkenning voor een belastingstelsel van de volgende eeuw' die het kabinet later deze maand zal publiceren. Ze geven een beeld van een aantal knelpunten in het huidige belastingstelsel. Telt Nederland slechts een kwart miljoen mensen die een belastbaar inkomen van ten minste een ton hebben? En is het wenselijk dat 1,2 miljoen mensen met een laag inkomen via de loon- en inkomstenbelasting niets bijdragen aan de financiering van de sociale zekerheid en publieke uitgaven waarvan ze net als iedereen gebruikmaken?

Het Nederlandse stelsel van loon- en inkomstenbelasting is van boven en van onderen uitgehold en het geheim hiervan heet aftrekposten. Dit kabinet heeft tussen 1994 en 1998 actief bijgedragen aan de zogenoemde versmalling van de belastinggrondslag met maatregelen waardoor de belastinginkomsten jaarlijks met maar liefst negentien miljard gulden zijn afgenomen. De 'grote vier' aftrekposten - in volgorde van omvang de belastingvrije som, de pensioenaftrek, de hypotheekrente-aftrek en het arbeidskostenforfait - hakken er in. Met disproportionele verhogingen van de belastingvrije som heeft het kabinet bijvoorbeeld sluipende inkomenspolitiek bedreven. Aan de bovenkant helpen de renteaftrek en besparende constructies om het belastbare inkomen te verminderen. Anderzijds dragen hoge tarieven bij tot kapitaalvlucht. Terloops vermeldt het rapport dat Nederlanders naar schatting 70 miljard gulden spaargeld buiten bereik van de fiscus in het buitenland hebben ondergebracht.

DE BELASTINGMANNEN Vermeend en Zalm zijn nu ruim een jaar bezig met de uitwerking van hun belastingplan voor de 21ste eeuw. Het belooft een revolutionaire erfenis van dit kabinet te worden en niet voor niets is er dan ook de nodige politieke onenigheid over. Dat is goed: belastingen gaan iedereen aan en hebben invloed op vrijwel alle aspecten van de samenleving. Fiscale prikkels beïnvloeden in positieve en negatieve zin het economische gedrag van mensen. Voordat er een besluit wordt genomen over de precieze inrichting van het toekomstige belastingstelsel, kunnen de kiezers zich er bij de komende parlementsverkiezingen over uitspreken aan de hand van de verschillende partijstandpunten.

De analyse van de tekortkomingen in het Nederlandse belastingstelsel en de uitgangspunten voor het toekomstige stelsel zijn glashelder geformuleerd. Internationaal worden als zwakke punten gezien: de zware lastendruk op arbeid, het grote verschil tussen bruto- en nettoloon, het hoge toptarief, de kapitaalsbelasting en de vermogensbelasting. Daarbij doemen nieuwe problemen op zoals de kosten van de vergrijzing, de fiscale ontwijkingsmogelijkheden via Internet, de effecten van de Europese monetaire eenwording en het gegeven dat kapitaal mobieler is dan arbeid. Een land moet zijn belastingstelsel zodanig vormgeven dat het een solide financieel draagvlak biedt voor de overheidsuitgaven en sociale zekerheid, en bijdraagt aan de bevordering van werkgelegenheid. Daarvoor is een stelsel met een brede heffingsgrondslag en lagere lasten wenselijk.

De 'verkenning' stelt drie doelstellingen vast: vermindering van de collectieve lasten, verschuiving van de directe naar de indirecte belastingen en de invoering van een belastingsysteem dat onderscheid maakt naar verschillende vormen van inkomen. Het zijn ingrijpende maatregelen. Op de meeste punten bestaat politieke overeenstemming. Alleen over de invulling van de tariefsstructuur bestaat onenigheid omdat dit zichtbare gevolgen heeft voor de inkomens en werkgelegenheid aan de onderkant van de samenleving.

IEDER BELASTINGPLAN roept weerstand op van belangengroepen die vrezen te worden gedupeerd. Dat is een onvermijdelijk gevolg van een stelselherziening, waarbij tegenover vermindering van de aftrekposten lagere tarieven staan. Daarom komt het gesteggel over de inkomenseffecten en de manier waarop de tariefsstructuur vorm zal krijgen te vroeg. Nu dreigt er toch een toptarief gehandhaafd te blijven dat boven de billijke grens van vijftig procent ligt, terwijl met fiscaal plakwerk alternatieve vormen van inkomenshobbyisme bedreven wordt. Een goed belastingplan voor de 21ste eeuw zou zich in dit stadium inderdaad moeten beperken tot het aandragen van bouwstenen. Tijd voor politiek debat is er nog genoeg.