'Ex-gevangenen beter opgevangen dan topsporters'

De atletencommissie van de sportkoepel NOC*NSF wil de positie van de topsporter in Nederland opwaarderen. “Niemand ziet topsport als beroep”, zei atlete Ellen van Langen gisteren op een symposium in Rotterdam.

ROTTERDAM, 13 NOV. Ruim een jaar na de gouden race in Atlanta heeft de helft van de Holland Acht moeite om zijn maatschappelijke carrière van de grond te krijgen. Twee roeiers zijn werkloos. “Als ook maar een van ons straks spijt van alles heeft en niet goed terechtkomt, dan is voor mij het hele project mislukt. Ondanks die gouden medaille”, verkondigde Nico Rienks, als een van de Holland Acht gisteren in Rotterdam.

Rienks is lid van de atletencommissie van NOC*NSF die een symposium organiseerde over 'De toekomst van de topsporter'. De zaal zat vol met topsporters en andere betrokkenen. Eerder waren al 42 Atlanta-gangers telefonisch geïnterviewd en voerden twaalf vooraanstaande sportmensen een discussie. De uitkomsten zullen gebruikt worden voor het opstellen van een handvest. “We moeten wat meer zekerheid krijgen over de rol van topsporter”, aldus rugbyer Yves Kummer, waarnemend voorzitter van de atletencommissie.

Het is geen verrassing dat men tot conclusie kwam dat er te weinig geld beschikbaar is voor de topsport in Nederland. Interessanter was de bezorgdheid van de sporters over de periode na hun carrière. Het Tweede-Kamerlid M. Sterk (PvdA), voormalig olympisch hardloopster, sprak gisteren over “een onfatsoenlijke nazorg”. Rienks: “Iemand die uit de gevangenis komt, wordt nog een jaar of tien door de reclassering begeleid. Maar als je als topsporter stopt, moet je de volgende dag al je auto inleveren.” De ex-roeier vindt dat talenten goed moeten worden voorgelicht over wat hun te wachten staat als topsporter. “Ze moeten weten wat de risico's zijn.”

Sterk, lid van het panel van deskundigen, pleitte er voor dat topsporters bij bedrijven en overheden latere dan normaal met hun opleiding of stage kunnen beginnen en eindigen. Alleen in voetbal, tennis, wielrennen en, voor een enkeling, volleybal kunnen toppers genoeg geld bij elkaar sporten voor de rest van hun leven. De overgrote meerderheid moet weer gewoon aan het werk. Het is ideaal als de sporter al tijdens de periode op veld of baan aan een maatschappelijke carrière kan werken, in de praktijk is dat vaak onmogelijk.

Door langdurig verblijf in het buitenland of de vele trainingsuren zijn veel sporters niet in staat te werken of te studeren. “Welk bedrijf zit te wachten op iemand die vier tot zes maanden weg is en als hij er wel is twee keer per dag moet trainen”, vroeg zwemmer Marcel Wouda. “Je kan echt niet meteen na een training gaan werken. Dan ben je gewoon kapot”, aldus atlete Ellen van Langen, gisteren een van de sprekers.

Ook studeren blijkt moeilijk. De olympische kampioene van 1992 kon aan de Vrije Universiteit in Amsterdam niet alle werkcolleges volgen, waardoor ze niet mocht deelnemen aan tentamens. Van Langen vroeg om een soepelere behandeling. “Een jaar later kreeg ik pas antwoord. Ik mocht welgeteld één werkcollege per kwartaal overslaan, maar daarvoor in de plaats zou ik de werkstukken van al mijn medestudenten moeten nakijken. Daar schoot ik dus niets mee op.”

Dat is al jaren geleden. De situatie is inmiddels wel wat verbeterd. Een aantal scholen en bedrijven biedt topsporters faciliteiten. Ook Wouda vond werk bij een bedrijf met een baas die “heel sportminded” is. Mr. E. Kist, lid van de raad van bestuur van de ING Groep, verzekerde de topsporters in de zaal dat hun toekomst op de arbeidsmarkt uitstekend is omdat ze een aantal specifieke eigenschappen bezitten. Kist deed zelf als hockeyer mee aan de Olympische Spelen van 1968. Hij moest van het bedrijf waarvoor hij ging werken de keuze maken tussen sport of maatschappelijke carrière.

Kist koos voor het laatste, maar heeft daar “eeuwig spijt” van. “Dat is mijn grote frustatie. Ik hoefde maar twee keer per week een half uur eerder weg. Dat mocht niet.” De directeur vindt het jammer dat hij destijds niet “iemand zoals ik in de leiding” was tegenkomen. Kist kan bij ING tien tot twintig sporters als parttimmer onderdak bieden. “Maar u moet uw eigen carrière onder uw arm nemen. Niemand komt naar u toe.” Ook als een sporter een baan krijgt aangeboden, wil dat echter nog niet zeggen dat succes verzekerd is, zoals Nationale Nederlanden onlangs twee keer ondervond. “Ze deinsden terug, durfden het niet aan”, volgens woordvoerder F. Suèr van het verzekeringsbedrijf.

Veel onbegrip blijft. “Niemand ziet topsport als beroep. Nog steeds vragen mensen wat ik nou precies doe”, aldus Van Langen. Ook binnen de sport zelf blijkt nog lang niet alles naar wens te verlopen. Van de topsporters die in Rotterdam aanwezig waren, was slechts negentien procent tevreden over de begeleiding van de eigen bond, 38 procent over die van NOC*NSF. Van Langen sprak dan ook namens velen toen ze concludeerde dat de topsporter veel in zijn uppie moet opknappen.