Elektronisch huisarrest is geen oplossing voor het cellentekort

Het elektronisch toezicht wordt voorgesteld als panacee voor het cellentekort. Maar volgens Barbra van Gestel kleven er veel nadelen aan deze manier van gedetineerd zijn. Velen hebben problemen met het aanvragen van een bijstandsuitkering en de telefoonverbinding thuis kan zomaar worden verstoord.

Minister Sorgdrager van Justitie heeft onlangs besloten elektronisch toezicht landelijk in te voeren. Door mensen in hun eigen huis op te sluiten denkt zij het cellentekort op een effectieve wijze te verminderen zodat in gevangenissen voldoende celruimte ontstaat. Daarnaast kunnen de schadelijke gevolgen van het verblijf in een gevangenis door toepassing van elektronisch toezicht beperkt blijven en kunnen langdurig gestraften dankzij huisarrest langzaam weer wennen aan het gewone, alledaagse leven buiten de gevangenismuren.

Deze conclusie trekt de minister op grond van het experiment met elektronisch toezicht dat in de afgelopen twee jaar is uitgevoerd. Het WODC, het onderzoeksbureau van het ministerie van Justitie, heeft de proef geëvalueerd en verslag gedaan van de uitkomsten. Initiatiefnemers en projectleiders van het experiment noemen de proef 'geslaagd'. Welke criteria zij hanteren is echter onduidelijk. Uit het WODC-rapport blijkt dat deze nieuwe vorm van straf juist een averechtse invloed kan uitoefenen op reïntegratie en resocialisatie van veroordeelden.

Ondertoezichtgestelden ondervinden bijvoorbeeld problemen bij het aanvragen van een bijstandsuitkering en bij het zoeken van betaald werk omdat ze formeel nog steeds onder toezicht van justitie staan. Uit door mij verricht sociologisch onderzoek naar de subjectieve beleving van elektronisch toezicht blijkt dat zij in hun pogingen om weer volwaardig deel te nemen aan het maatschappelijke verkeer voortdurend worden geconfronteerd met hun status als gedetineerde. En volgens het WODC-rapport vinden de meesten tijdens het toezicht geen betaald werk maar verrichten zij vrijwilligerswerk, terwijl bijna de helft vóór zijn detentie wel een betaalde baan had.

De elektronische aard van het toezicht zorgt vervolgens voor een aantal onaangename bijkomstigheden, onder andere door het enkelbandje dat mensen moeten dragen. De zender die veroordeelden voortdurend overal mee naar toe slepen is ongeveer zo groot als een pakje sigaretten en kan niet in elke situatie worden weggemoffeld. Sommige veroordeelden proberen alle situties waarbij hun bandje 'ontdekt' zou kunnen worden te vermijden uit angst voor stigmatisering. Dit betekent dat zij er voor kiezen om bepaalde sociale contacten uit het verleden tijdens het toezicht te verbreken en dat ze het aangaan van nieuwe sociale bindingen uit de weg gaan. Daarnaast wordt door ondertoezichtgestelden vreselijk veel gelogen en gedraaid in hun poging de straf geheim te houden om zo gezichtsverlies tegen te gaan. Je zou kunnen stellen dat voor mensen die onder elektronisch toezicht staan, en soms ook voor hun gezinsleden, een sociale premie staat op onoprecht gedrag.

Maar er gebeurt in de huiskamer van gedetineerden nog iets anders. Op willekeurige en onverwachte momenten wordt de telefoonverbinding verstoord door een pieptoon. Als mensen in het huis van de veroordeelde aan het telefoneren zijn moeten zij bij het horen van die toon onmiddellijk de hoorn op de haak gooien. Mensen voelen zich geïntimideerd door die storing, worden er opgefokt van en nerveus. Sommige veroordeelden en gezinsleden ervaren dit 'kleine technische detail' als een wezenlijke inbreuk op hun privé-leven. Thuis zijn wordt gewoonlijk geassocieerd met genegenheid, met intimiteit en met ontspanning. Tijdens elektronisch toezicht wordt de eigen woning in verband gebracht met controle, registratie en gevangenschap. De spanningen hierdoor ontstaan zijn niet altijd bevorderlijk voor het huiselijk gezinsleven.

Dit zijn kleine onvoorziene maar onvermijdelijke bijkomstigheden die een frustrerende uitwerking hebben op de beoogde reïntegratie van langdurig gestraften. Door elektronisch toezicht kunnen mensen vervreemd raken van hun eigen woning en van het gewone alledaagse leven om hen heen terwijl het juist de bedoeling is dat ze daar langzaam weer vertrouwd mee raken. De vraag is of de meest ingrijpende vormen van sociale controle niet beter aan bepaalde, niet-persoonlijke locaties gebonden moeten blijven, zoals negen jaar geleden ook de commissie-Schalken zich al afvroeg.

Pleitbezorgers van elektronisch toezicht bagatelliseren deze negatieve consequenties door te suggereren dat het huisarrest in de plaats komt van een straf die nog veel meer ellende teweegbrengt, namelijk de gevangenisstraf. Deze bewering is enigszins misleidend want de ene gevangenis is de andere nog niet.

Zo heerst niet in elke gevangenis een streng regime waar mensen 24 uur per dag worden bewaakt. Er bestaan ook 'open gevangenissen' waar minimale controle is en gevangenen de sleutel hebben van hun cel zodat ze zichzelf op afgesproken tijden kunnen opsluiten. In open gevangenissen hebben gedetineerden elk weekeinde vrij en de mogelijkheid doordeweeks buiten de gevangenis te werken om zo een eigen inkomen te verwerven. Langdurig gestraften kunnen in de laatste periode van hun straf maximaal vijf maanden verblijven in een open inrichting en idealiter komen zij daarna onder elektronisch huisarrest te staan. De duur van iemands aanwezigheid in een gesloten gevangenis wordt op zo'n wijze verkort, mensen verlaten die inrichting immers in een eerder stadium. Uit de proef blijkt echter dat de meeste mensen die onder elektronisch toezicht staan rechtstreeks uit een gesloten of half open inrichting komen en helemaal niet in een open gevangenis hebben gezeten. Elektronisch huisarrest vormt voor hen dus geen alternatief voor de gesloten gevangenisstraf maar voor een van de minst schadelijke detentievormen, namelijk de open gevangenis. De nadelige gevolgen van elektronisch toezicht zouden in dit licht bekeken moeten worden.

Met deze kennis wordt tevens duidelijk dat elektronisch toezicht amper soelaas kan bieden voor het cellentekort. Het capaciteitsprobleem manifesteert zich in Nederland namelijk vooral in gesloten gevangenissen en zal door de invoering van elektronisch huisarrest nauwelijks worden teruggedrongen. Daar komt bij dat de financiële besparing die beleidsmakers voor ogen hebben gehad nog weleens flink kan tegenvallen. De kosten van een open inrichting zijn veel minder hoog dan die van een reguliere gevangenis. Bovendien blijkt elektronisch toezicht duurder te zijn dan men aanvankelijk dacht, onder meer door de intensieve begeleiding die ondertoezichtgestelden ontvangen van hun reclasseerder.

In Nederland is het al jaren mogelijk gedetineerden gedurende hun straftijd steeds meer vrijheid en eigen verantwoordelijkheid te geven om hen zo geleidelijk te laten wennen aan het leven buiten de gevangenis. Elektronisch huisarrest voegt daar weinig zinnigs aan toe.