Een nieuw convenant met de glastuinbouw; De individualisering van het milieubeleid

Vandaag beloofde de glastuinbouwsector in een convenant opnieuw het gebruik van bestrijdingsmiddelen, meststoffen en energie terug te dringen. De overheid stapt op haar beurt af van allerlei dwingende maatregelen: de tuinders mogen ieder voor zich zelf bepalen hoe ze de milieudoelen bereiken.

Aan de goedkope Nederlandse tomaten, komkommers, paprika's, chrysanten en rozen zit helaas een schaduwzijde. De verwarmde en verlichte kassen waarin de groenten en bloemen worden geteeld vreten nog steeds energie, en ze vervuilen het milieu nog steeds met te veel bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Al jaren probeert de overheid het overvloedig gebruik van chemicaliën en energie in de glastuinbouw terug te dringen. Dit gaat echter niet hard genoeg. Zo beloofde de sector begin jaren negentig in 2000 het energiegebruik per tomaat of komkommer terug te dringen tot de helft van het gebruik in 1980. Het energiegebruik stagneert echter al twee jaar op 65 procent, en daarbij is de winst van 35 procent vooral geboekt door meer groenten en fruit per hectare te verbouwen. Ook wat betreft het terugdringen van de bestrijdingsmiddelenemissie naar vijfenzeventig tot negentig procent van de hoeveelheid in 1984, zit de sector niet op schema.

Een nieuw convenant, vandaag getekend door vertegenwoordigers van de glastuinbouw, ministeries, provincies, stadsgewest Haaglanden en de waterschappen, moet ervoor zorgen dat de eerder overeengekomen milieudoelstellingen snel worden gehaald. Daarna zullen de tuinders nog verder moeten gaan: in 2010 mogen ze, vergeleken met 1980, nog nauwelijks kunstmest en bestrijdingsmiddelen gebruiken. Als het aan de ondertekenaars ligt maakt de verouderde sector komende jaren dè grote sprong naar moderne kassen, modern milieumanagement en een transparant meet- en registratiesysteem.

Het convenant speelt in op de klachten van de glastuinders. De tuinders hebben inmiddels te maken met tientallen milieudoelen en milieuregels, afkomstig van drie ministeries. Elke milieuregel wordt gehandhaafd door weer andere controleurs. Daarnaast komen er steeds meer organisaties die de tuinders willen helpen met een milieuvriendelijker teelt. “De tuinders wilden graag één helder milieuverhaal”, legt B.A. Piersma van het ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij uit.

Een tweede pijnpunt is de algemeenheid van de huidige milieuregels. Veel regels blijken wel zinvol voor het ene bedrijf, maar niet voor het andere. De verplichting een installatie aan te schaffen voor hergebruik van water bijvoorbeeld, heeft volgens tuinders weinig zin voor kassen op veengrond waar de grondwaterstand zo hoog is dat ook grondwater wordt opgepompt. Met zulke individuele verschillen houden de overheidsvoorschriften geen rekening. De tuinders vroegen dus om 'maatregelen op maat'.

Een derde bezwaar van het huidige milieubeleid is dat de voorschriften louter technisch zijn ingevuld. Tuinders moeten van de overheid bepaalde apparatuur aanschaffen, hun kassen op een voorgeschreven manier aanpassen. Maar apparatuur alleen is onvoldoende garantie voor een beter milieu, vindt nu ook LNV. “Een tuinder kan een scherm hebben om 's nachts warmte vast te houden”, weet Piersma, “maar als hij het nooit dicht doet helpt dat weinig.”

Het milieubeleid voor de glastuinbouw gaat dus op de schop. Na 2000 krijgen de tuinders te maken met nog maar één milieuloket, onder gezag van de gemeente en de waterschappen. Er komt een uitvoeringsorganisatie die tuinders, gemeentes en waterschappen helpt bij het verwerken en beoordelen van milieurapportages. Regels voor de inrichting van kassen zullen grotendeels worden vervangen door voorschriften waarin bepaald is wat tuinders in een bepaald jaar nog mogen gebruiken aan chemicaliën en fossiele energie.

Een tuinder moet zich in 2010 houden aan bijvoorbeeld de bepaling dat hij of zij nog maar x joule per hectare mag verbruiken, of y kilo bestrijdingsmiddelen. Maar ze mag dus zelf kiezen of ze het gifgebruik reduceert via een dure high-tech installatie waarmee bestrijdingsmiddelen zijn te recyclen, of dat ze natuurlijke vijanden inzet. Met een boekhouding moeten de tuinders aan de milieuambtenaren laten zien dat ze op schema zitten.

Passend in de filosofie dat regels op maat moeten zijn, kunnen de tuinders evenwel een vergunning krijgen om van voorgeschreven taakstellingen af te wijken. Als in een bepaald jaar een investering in bestrijdingsmiddelenreductie erg duur uitpakt, mogen ze even achterlopen op energiereductie. Mits ze met een zogeheten bedrijfsmilieuplan kunnen aantonen dat ze die achterstand later inhalen.

Nu zouden wel meer sectoren willen dat LNV aansluit bij de individuele telers, maar werkt het ook? De Zuid-Hollandse milieufederatie is er niet gerust op en heeft het convenant dan ook niet ondertekend. Ze vindt de afspraken te vrijblijvend en de bedrijfsmilieuplannen moeilijk toetsbaar. De milieugroep zag liever concrete maatregelen, zoals het verhogen van de prijs van aardgas (waarvoor tuinders minder betalen dan burgers), of een stevig budget voor intensieve begeleiding van geïntegreerde gewasbescherming.

Piersma van LNV heeft wel vertrouwen in de uitvoering. De gemeentes en waterschappen, zo verwacht hij, krijgen met de nieuwe rapportages en beoordelingen een extra controle- en handhavingsinstrument in handen. Daarbij zal illegaal gebruik niet altijd zijn te achterhalen, maar dat is geen nieuw probleem. Het nieuwe beleid kan het illegaal gebruik juist terugdringen omdat telers voor het eerst erkenning krijgen voor goed management. Nu worden tuinders alleen nog afgerekend op apparatuur, wat het milieubewustzijn niet bepaald stimuleert. Straks kunnen ze ook punten krijgen wanneer ze door verandering van gedrag het chemicaliën- en energieverbruik terugdringen.

Alle partijen verwachten dat het enthousiasme van de tuinders sterk zal afhangen van de sociaal-economische ontwikkelingen. De glastuinbouw staat voor een ingrijpende operatie. Veel tuinders moeten vernieuwen of verhuizen omdat de kassen zijn verouderd of omdat de provincie andere plannen heeft met het platteland. Dit is enerzijds gunstig voor het milieu, omdat de tuinders bij vernieuwing meteen de laatste energiebesparende snufjes kunnen aanschaffen. Anderzijds móeten de tuinders al enorme bedragen investeren, terwijl de prijzen voor de groenten en bloemen de laatste jaren vaak laag lagen. Het Landbouweconomisch Instituut (LEI-DLO) in Den Haag berekende dat een kas van een hectare een miljoen gulden kost. Met de technische aanpassingen die nodig zijn om de milieudoelstellingen voor 2000 te halen, komt hier nog eens twee ton bovenop.

Wegens het totaal aan investeringen zullen bij gunstige prijzen jaarlijks twee procent van de tuinders afvallen, bij ongunstige prijzen acht procent. Daarmee zullen er in 2010 dertig tot zestig procent minder tuinders zijn dan in 1994. Een pijnlijk gegeven, waar evenwel weinig aan lijkt te doen. “De milieu-investeringen spelen bij deze afvalrace wel een rol”, concludeert LEI-onderzoeker W. Baltussen, “Maar de marktprijzen zullen doorslaggevend zijn. Die prijzen zullen ook belangrijk bijdragen aan het enthousiasme om het milieubeleid aan te pakken. Het moet goed gaan in een sector, voor men wil investeren in technieken die zich pas na zeven tot tien jaar terugverdienen.” Naar verwachting blijft het areaal glas gelijk; de bedrijven worden eenvoudigweg groter. Onderzoekers van het Instituut voor Milieu en Agritechniek (IMAG-DLO) in Wageningen schetsen hoe de kassen van de toekomst eruit zien. Ze zullen waarschijnlijk geen eigen gasinstallaties meer hebben, maar met vijf tot twintig bedrijven zijn aangesloten op een plaatselijke warmte/krachtinstallatie, vanwaar ze elektriciteit, warmte en koolzuurgas betrekken. De motoren van deze w/k-installaties draaien op methaangas afkomstig van gecomposteerd afval, of op zonne-energie. De kassen openen geen ramen om de waterdamp af te voeren, maar hebben apparaten die de warmte weer uit waterdamp onttrekken. Klimaatregelsystemen, schermen of isolerende kasdekken benutten de zonnewarmte maximaal, en een continu meet-regelsysteem doceert een preciese toediening van water en meststoffen. Sommige tuinders varen op high-tech installaties die bestrijdingsmiddelen uit het water recyclen. Anderen kiezen voor kennisintensieve systemen, en zuiveren het water biologisch met bijvoorbeeld een goedkope zandfilter, terwijl ze bestrijdingsmiddelen vervangen door natuurlijke vijanden.

Hoe snel de milieudoelen worden gerealiseerd hangt ook af van de budgetten voor onderzoek en voorlichting. Hierop heeft de overheid de laatste jaren flink bezuinigd, maar de initiatiefnemers zijn er toch niet pessimistisch over: “Partijen hebben verklaard dat kennisontwikkeling en kennisoverdracht hele belangrijke instrumenten zijn”, zegt J. Ebbens, de kersverse secretaris van de stuurgroep glastuinbouw en milieu. “We beginnen nu met een omvangrijk energiebesparingsprogramma. Dat is hard nodig. Want dat er flink aan de kar getrokken moet worden, ook voor gewasbescherming, staat buiten kijf.

    • Marianne Heselmans