De velponfactor van de macht

Het retorisch vermogen van Hans van Mierlo is al dertig jaar onbetwist. Behalve grossier in paradoxen is de D66-leider tijdens debatten meester van de omkering. Een saillante demonstratie van die techniek gaf hij afgelopen zondag in het televisieprogramma Het Buitenhof.

Van Mierlo werd daar ondervraagd naar aanleiding van het vorige week in de Tweede Kamer gehouden debat over de Iraanse asielzoekerskwestie. Het debat, waarvan de vertrouwde politieke uitkomst was dat alle betrokken bewindslieden konden blijven zitten. Of door die houding de democratie niet enigszins was aangetast, wilden de interviewers weten. Het tegendeel was het geval, betoogde Van Mierlo fel. De democratie zou juist zijn aangetast als hij was opgestapt, want voor een dergelijke daad was geen enkele reden.

Zo hadden nog niet veel mensen het weinig verheffende debat van vorige week gezien. Het leek toch vooral een mislukte poging van de complete oppositie om de betrokken bewindslieden consequenties te laten trekken uit hun ministeriële verantwoordelijkheid. Sinds Van Mierlo's optreden bij Het Buitenhof weten we nu dat er niet een paar bewindslieden zijn gered, maar de democratie.

Afgaande op de analyse van Van Mierlo hebben weer veel mensen het totaal verkeerd begrepen; deels onbewust, deels moedwillig. Er zat volgens hem “een hoop vervalsing in de beeldvorming”. Hij had in de Tweede Kamer toch een overtuigend verhaal gehouden, waardoor “het weerwoord bij de mensen die wilden luisteren langzamerhand minder werd en verstomde”. Daarmee bedoelde hij de drie regeringsfracties. Maar wat Van Mierlo er niet bij zei was dat die drie partijen in hun respectieve fractievergaderingen reeds voordat het debat was begonnen de conclusie hadden getrokken dat het debat zonder persoonlijke gevolgen zou moeten blijven. Zij hoefden dus helemaal niet meer door Van Mierlo te worden overtuigd.

En de andere fracties? Die zeiden aan het slot van het debat hetzelfde als aan het begin. “Alsof je voor niets gesproken hebt”, aldus Van Mierlo afgelopen zondag. Met andere woorden: degenen die niet door hem waren overtuigd, maar bij hun oude standpunt bleven, wilden het gewoon niet begrijpen. Kan het nog regentesker?

Natuurlijk is het voor de 'paarse' coalitie niet prettig keer op keer met het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid te worden geconfronteerd. Maar dat is nog geen reden voor het verongelijkte gedrag zoals Van Mierlo dat ten toon spreidde. De Kamer riep de regering vorige week ter verantwoording omdat zij verkeerd bleek te zijn geïnformeerd over de wijze waarop de Nederlandse ambassade in Teheran naar Iran teruggestuurde asielzoekers volgde. Op basis van die verkeerde informatie heeft de Kamer eind juni overleg gevoerd met de staatssecretarissen Schmitz (Justitie) en Patijn (Buitenlandse Zaken).

Als verzachtende omstandigheid geldt dat de Kamer niet bewust is misleid. De bewindslieden wisten aanvankelijk niet beter dan de Kamer, want ook zij beschikten als gevolg van het in gebreke blijven van het eigen ambtelijke apparaat niet over de juiste informatie. Maar daarmee is het verhaal nog niet af. In het verkeer tussen regering en parlement moeten Kamerleden erop kunnen vertrouwen dat de hun geleverde informatie klopt en compleet is. Ook al is het de schuld van ambtenaren, dan nog zijn de bewindspersonen verantwoordelijk. Lastig, vervelend en soms zelfs hardvochtig, maar wel een ijzeren consequentie van een systeem waar het parlement slechts de politici ter verantwoording kan roepen.

SGP-fractievoorzitter Van der Vlies stelde het vorige week in het Kamerdebat heel pregnant: “Wie niet met die fictie uit de voeten kan, zou het ambt van dienaar van de kroon niet moeten bekleden”. Daarbij haalde hij de staatsrechtgeleerde Donner aan die ooit het vertrek van een minister als gevolg van het falen van het eigen ambtelijke apparaat betitelde als “de zweepslag voor de ambtelijke dienst”.

Dagelijks worden meerderen 'gestraft' voor de fouten van hun ondergeschikten. Vorig jaar werden de commandant van de vliegbasis Eindhoven, de commandant van de brandweer en de luchtverkeersleider uit hun functie ontheven als gevolg van de ramp met het Hercules-vliegtuig waarbij 34 mensen om het leven kwamen. Niet omdat ze bewust fouten hadden gemaakt, maar omdat zij verantwoordelijk waren.

Maar voor de politiek blijken altijd weer andere mores te gelden. Niemand in de Tweede Kamer zal beweren dat een politieke gezagsdrager bij elke ambtelijke fout zijn positie automatisch ter beschikking moet stellen. Maar dat is wat anders dan de verantwoordelijkheidsvraag verengen tot de vraag of de minister of staatssecretaris er zelf schuld aan heeft. Dat is wat telkens weer gebeurt. De met de mond beleden ministeriële verantwoordelijkheid is als bewindslieden er op worden aangesproken slechts een persoonlijke verantwoordelijkheid.

Het gevolg is dat aftreden als gevolg van ambtelijk falen, de zweepslag voor het apparaat dus, bijna nooit voorkomt. Dat is niet nieuw. Al in de jaren vijftig werd opgemerkt dat het leek alsof ministers met velpon aan hun stoelen vastzaten. Hooguit is nu de teleurstelling wat groter, omdat juist de paarse coalitie beloofde, na zeventig jaar christen-democratische dominantie in het landsbestuur de politieke cultuur te zullen veranderen. Paars zou ook hard voor zichzelf zijn, riep PvdA-fractievoorzitter Wallage fier toen de nieuwe coalitie zich aandiende. Daar heeft het juist aan ontbroken. Paars bevestigt het beeld dat het zelfreinigend vermogen bij bestuurders nihil is. De velpon uit de jaren vijftig is vervangen door eigentijdse tweecomponentenlijm maar voor het overige zitten ministers nog even vast aan hun stoel.

    • Mark Kranenburg