De maakbare samenleving

In het Spoorwegmuseum in Utrecht is vanaf dit weekeinde een enorme Fleischmann-modelbaan te zien. Wat voor mensen zijn het, die een modelbaan 'voor de kinderen' aanschaffen? Die Alpenlandschappen volproppen met ijselijke ravijnen, eindeloze tunnels en adembenemende viaducten?. Modeltreinliefhebbers koesteren eigenlijk maar één grote wens: in het klein beheersen wat in het groot onmogelijk is.

Toen ik als elfjarige in 1958 mijn beginsetje miniatuurtreinen van het merk Trix kreeg - een goederentrein van drie wagons plus een tweeassig stoomlocomotiefje op een railovaal - hadden de wagentjes geen buffers. Dat was de goedkope uitvoering. Gaf niks, ik verzon ze er wel bij, en ik speel er nog mee.

Tegenwoordig hoeven fabrikanten niet aan te komen met miniatuurtreinen die de realiteit niet tot op de laatste buts en klinknagel nauwkeurig benaderen. Alleen al daarom moet het maar eens afgelopen zijn met de mythe dat modelspoor eigenlijk iets voor kinderen is; die zal het een zorg zijn of de draaistellen onder de tender van hun Pruisische P8 stoomlocomotief wel authentiek zijn.

Eén blik op de vier 'bakken' van mijn Halbzug is genoeg om me mee terug te nemen naar het Duitsland waar ik vroeger woonde. Ik hoor hoe het dakdakdakdak van hun wielen door de gevels langs de baan wordt weerkaatst. Hoe hun remmen krijsen, sissen en zuchten. Hoe bij het stilstaan het gebonk van hun luchtpomp wordt overstemd door luidsprekers die stationsnamen vol weemoed en verlangen laten schallen: Eichwalde, Jannowitzbrücke, Mahlow, Wittenau, Oberspree. En dan het moment van vertrek! De snauw 'Zurrrückbleiben!' zwiept over het perron. Deuren ratelen dicht met de knal van een finaal afscheid. Onaards geloei zwelt aan.

Er zijn verzamelaars die alle bijbehorende treingeluiden op de band hebben. Ze kijken niet alleen naar hun locomotiefjes met aanhang van Fleischmann, Trix, Liliput, Bachmann of Lima, maar laten ze rijden. Op rails die zijn omzoomd door gras en koeien van de firma Preiser, everzwijnen van Schleich, treurwilgen van Anita, met huisjes en viaducten van Faller, stations en kerken van Kibri, vakwerkboerderijtjes van Pola. Hun wegen zijn bevolkt door auto's van Herpa en Wiking.

Blijkbaar hebben zulke modelspoorliefhebbers geen fantasie. Echter, dat is maar schijn: zij moeten zichzelf wijsmaken dat hun miniatuur-werkelijkheid samenvalt met de realiteit op ware grootte. Alleen dan slagen zij erin het doel te bereiken dat iedere modeltreinbezitter zich heeft gesteld: zij willen in het klein kunnen beheersen en exclusief gebruiken wat in het groot onmogelijk is.

Als die miniatuurliefhebberij slechts gesublimeerde heb-, heers- en reiszucht is, rijst onmiddellijk de vraag waarom die zich juist in gedoe met modeltreinen moet manifesteren. In de alledaagse werkelijkheid nemen spoorwegen immers lang niet meer die prominente plaats in die de auto zich heeft veroverd. De vele duizenden mensen die automodellen verzamelen zijn geconcentreerd op het model zelf, niet op de interactie tussen auto en omgeving. Van Honolulu tot Hammerfest rijden dezelfde automerken en -types. Ook wegen zijn er in oneindig-moedeloos veel soorten en maten, van karrenspoor tot zestienbaans autostrada. Een locomotief of treinstel daarentegen geeft altijd een exacte definitie van tijd en plaats.

Zo reed mijn Berlijnse Halbzug van 1965 tot heden (nu nog slechts in de spitsuren); locatie was tot 1989 alleen West-Berlijn - vlak voor de bouw van de Muur in 1961 had de Oost-Duitse Reichsbahn in het geniep al het nieuwere materieel naar Oost-Berlijn geëvacueerd. Wie van Lima een model van een Nederlandse locomotief 1200 met bijbehorende rijtuigen plan E koopt, weet dat zijn fantasie zich moet beperken tot de trajecten Zandvoort-Maastricht/Heerlen en alsmede Amsterdam-Enschede van grofweg 1955 tot 1985. Zo'n beperking geeft vastigheid. Ze geeft aan welke landschappen, bruggen en automodellen erbij gedacht moeten worden.

Om binnen de gegeven beperkingen van type en tijdperk toch een maximaal effect te bereiken, kiezen veel modelbaanminnaars voor een spectaculair landschap. In de praktijk komen ze dan altijd uit bij de Alpen. Daar kunnen ze zich uitleven in de aanleg van trajecten langs ijselijke ravijnen, door eindeloze tunnels en over adembenemende viaducten. Over die sporen kruipen lange personen- en goederentreinen achter extreem krachtige locomotieven, zowel stoom als elektrisch, met imposant aandrijfwerk.

Niet voor niets is een model van een reusachtige, met drijfstangen-spaghetti behangen Zwitserse elektrolocomotief, naar zijn uiterlijk 'Krokodil' genaamd, nu al een halve eeuw onafgebroken in productie. Om dezelfde reden zijn modellen van stoomlocomotieven niet aan te slepen, ook al zijn ze in het echt al lang van de Europese rails verdwenen. Onophoudelijk verschijnen nieuwe, verbeterde versies van oude stoommodellen op de markt. Dat maakt het aanbod aan tweedehands spul in feite ook zo oninteressant, afgezien van de lagere prijs: de liefhebber weet dat alles nog gewoon nieuw in de winkel te krijgen is, en veel mooier dan de oude modellen.

Langzamerhand zijn de klassieke Alpenbanen echter op hun retour, in elk geval op beurzen en tentoonstellingen. Ze zijn zo vol en zo druk geworden dat de suggestie van realiteit verbleekt. Modelbaners die niet meer van ophouden wisten, propten nog een olieraffinaderij tussen de bergen. Of de Eiffeltoren. Dan moest er ook nog een compleet rangeerterrein bij om wat te doen te hebben. Zo ontwikkelde de modeltrein-fanaat zich tot overijverige Schepper.

De huidige trend is juist 'minder is meer (werkelijkheid)'. Zo is de bouw van 'modulen' in zwang gekomen, een met absolute getrouwheid herschapen segment van een landschap. Dat kan een overweg met uitwijkspoor zijn, of het station van Helmond omstreeks 1955, of een steenfabriekje met railaansluiting - een mooi excuus voor nog wat smalspoor erbij. Het hoeft niet altijd het evenbeeld van een bestaande situatie te zijn. Als de module maar werkelijkheidsgetrouw oogt, is het goed.

Een blik in de hobbybladen en een bezoek aan een beurs of tentoonstelling leert dat verreweg de meeste van deze modulen situaties uit het verleden uitbeelden. De spoorwegmodelbouwer is behoudend, moet dat ook zijn omdat er in het verleden overal meer rails lagen dan tegenwoordig. Vroeger tuften boemeltjes langs ieders achtertuin, zo lijkt het in de herinnering, en elk fabriekje had een spooraansluiting. De behoefte dat verleden tastbaar te herscheppen, maakt de treintjesgek in de kern tot een conservatieve romanticus, met een hang naar een onbedorven platteland en een afkeer van de grote stad. Zou het toeval zijn dat de gezamenlijke modeltreinfabrikanten een assortiment bieden waaruit elk denkbaar lokaal- en sneltreintje tussen 1900 en nu valt samen te stellen, terwijl er haast geen modellen zijn van metro's en voorstadsspoorwegen?

Overigens is er een aanzienlijke categorie treinenverzamelaars die geen modelbaan heeft. Omdat ze te klein behuisd zijn, omdat ze geen tijd hebben of omdat ze niet handig zijn. Tot die laatste groep behoor ik. Mijn verzameling is maar klein, want mijn hart gaat uit naar het eerder genoemde deelgebied waarvoor de gemiddelde modeltreinenliefhebber geen interesse heeft, omdat het te weinig spectaculair is. De glamourloze werkpaarden van het spoorwegverkeer, te weten modellen van metro- en stadsspoorwegmaterieel dat wordt gevoed via een derde rail. Dat staat beter dan zo'n lelijke bovenleiding.

Behalve mijn Berlijnse S-Bahn heb ik een tweewagenstel van de Münchense U-Bahn, een tweewagenstel van de Southern Region, het Zuid-Londense voorstadsnet van British Railways, en een motorwagen, alhoewel niet op schaal, van Stockholms Tunnelbana. Mijn S-Bahn kwam als nostalgisch model pas in de handel toen het origineel al op weg was naar de sloper. Tegelijkertijd is dat nu juist het vertederende aan modeltreinliefhebbers: zij zijn de enigen die nog geloven in een maakbare samenleving.

INFORMATIE

Evenementen

Zaterdag 15 november is er opvallend veel te doen op modelbaangebied. Het belangrijkste evenement die dag is de opening van een enorme modelbaan op schaal H0 in het Spoorwegmuseum in Utrecht. Zoals de naam ervan, Fleischmann op het Spoor, al zegt, komen daar uitsluitend treinen van deze modelbouwfabrikant in actie. Op kleinere emplacementen kunnen kinderen zich uitleven.

De grote Fleischmann-baan is te bezichtigen t/m 15 januari 1998. Entree: ƒ 11 voor volwassenen, ƒ 7 voor kinderen van 4 t/m 11 jaar. Spoorwegmuseum, Maliebaan, Utrecht. Openingstijden: za/zo/feestdagen 11u30-17u, di t/m vr 11-17u. Ma gesloten. Inl 030-2306206.

Eveneens op za 15 nov houdt de Trix Express Club, de grootste spoorwegmodelbouwvereniging van Nederland, van 11-16u een open dag in zalencentrum De Nieuwe Zweep aan de Klarenbeekseweg in Klarenbeek (tussen Apeldoorn en Zutphen). Leden en Trix-verzamelaars uit Nederland, België en Duitsland tonen er hun materieelcollecties. Kopen en ruilen mogelijk. Entree: ƒ 3 voor volwassen, kinderen tot 12 jr onder begeleiding van een volwassene gratis. Inl: 0297-283049 of 0252-529396.

In wijkgebouw Lombardijen, Menanderstraat 90 in Rotterdam-Lombardijen, wordt za 15 nov van 10-15u een modelspoorbeurs gehouden. Hetzelfde gebeurt dan in het Keizer Karelcollege, Elegast 5 in Amstelveen. Openingstijden: 10-15u. Entree: ƒ 4 voor volwassenen, kinderen ƒ 1,50.

Modelspoor op Internet

Het blad Rail Hobby meldt dat er twee belangrijke websites zijn: de officiële Märklin-site (http://www. marklin.de) en de Märklin Mailinglist (http://www.scintilla.utwente.nl/marklin/), die veel productinformatie geeft. Bovendien bevat de Mailinglist verwijzingen naar andere sites.

Inmiddels zijn ook modelbouwclubs op Internet actief, zoals de Modelspoorclub Veenendaal (http://www.worldonline.nl/-mscvnd) en The Slim & Short Guild Holland (http://www.elte.demon.nl/index.html). Laatstgenoemde club heeft zich gespecialiseerd in modelbanen met Amerikaans smalspoor.

Tijdschriften

Het aantal, ook in Nederland verkrijgbare, Duitse, Franse en Engelse modelspoorbladen is enorm, maar ook het assortiment Nederlandstalige titels mag er zijn. Wie is geïnteresseerd in alle denkbare vormen van railvervoer, mag het maandblad Op de rails (postbus 90096, 1006 BB, A'dam) van de Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Spoor- en Tramwegwezen niet missen. Weliswaar bevat het nauwelijks artikelen over modelspoor, maar wel situatietekeningen en -foto's, sporenplannen e.d. Over met name het Nederlandse spoorwezen wordt met grote kennis van zaken bericht.

Het maandblad Rail Magazine (postbus 211, 3340 AE Hendrik Ido Ambacht) is commerciëler. Het bevat nieuws en artikelen over het 'grootbedrijf' en is voor ongeveer de helft gevuld met tekst en foto's over miniatuurtreinen en toebehoren. Tevens persoonlijke verhalen van modelbouwers.

In Rail Hobby (postbus 1983, 1200 BZ Hilversum) domineert het kleinbedrijf. Treinen en trams op ware grootte, tenzij als voorbeeld voor een model, ontbreken vrijwel geheel in Miniatuurbanen (postbus 96998, 2509 JJ Den Haag), dat zich dan ook vaktijdschrift voor de modelspoorhobby noemt. Al deze bladen zijn gedrukt op glossy papier en bevatten talloze illustraties in kleur. Losse nummers kosten circa ƒ 10.

Het duurst is Spoorwegjournaal (31, Rue Trois Bourdons, B 4840 Welkenraedt, België): bijna ƒ 20. Daarvoor krijgt de trein- en tramliefhebber uitgebreide fotoreportages over railbedrijven in België en Nederland en een schitterend modelspoorgedeelte.