De levendige wereld van Luyken

Tentoonstelling: Spelen, leren en werken in de Gouden Eeuw; het leven volgens Jan Luyken (1649-1712). Amsterdams Historisch Museum. Ma-vr 10-17u, za zo 11-17u. T/m 4 jan.

Veel van de tekeningen en prenten van Jan Luyken (1649-1712) tonen levendige composities van spelende of schoolgaande kinderen, jongmaatjes en lerende gezellen, en volwassenen aan de arbeid. Deze voorstellingen lenen zich dan ook bij uitstek om een indruk te geven van het dagelijks leven in Hollands Gouden Eeuw - en dat is precies wat de tentoonstelling van Luykens werk uit de collectie van het Amsterdams Historisch Museum beoogt.

De dichter, tekenaar en grafisch kunstenaar Jan Luyken is vooral bekend door zijn boek Het menselyk bedryf. In 1694 werd het voor het eerst gepubliceerd, waarna het nog talloze malen is herdrukt, gekopieerd en geïmiteerd. De bundel bestaat uit een reeks van honderd kleine etsen met voorstellingen van ambachten en beroepen. De illustraties zijn eerst getekend door Jan Luyken, en daarna deels door hemzelf, deels door zijn zoon Caspar (1672-1708) in prent gebracht. Jan Luyken voorzag elk plaatje bovendien van een stichtelijk commentaar.

Op dezelfde manier maakte Luyken ook andere geïllustreerde boeken, zoals Het leerzaam huisraad (1711) en Des menschen begin, midden en einde (1712). Zoals al blijkt uit de titels, zijn ook deze boeken rijkelijk voorzien van voorstellingen die iets laten zien van het dagelijks leven in Luykens tijd. De kleine plaatjes munten uit in trefzekere details. Niet alleen zijn in doorkijkjes vaak stadsgezichten of landschappen op de achtergrond te zien. Ook is ruime aandacht besteed aan een keur van voorwerpen die telkens de bezigheid of levensfase van de voorgestelde personen aanduiden.

Zo is er een tekening van de Schuyermaaker, in wiens kraam een bijna onvoorstelbare variëteit aan borstels, bezems en vegers is uitgestald - een klant probeert er een op haar kleding uit. En in de voorstelling van de Pasteibacker draagt een leerjongen een dienblad met een prachtige pauwentaart. Op de achtergrond staan, in de etalage van de patisserie, nog meer van zulke versierde baksels. Andere prentjes tonen kinderen in kinderstoel en loopwagen, of spelend met hoepels, vliegers en windmolentjes.

Om de documentaire waarde van zulke taferelen gaat het op deze tentoonstelling, die vooral didactische ambities heeft. Een soort schaduwtentoonstelling, ingericht aan de achterzijden van de panelen waarop de prenten en tekeningen worden getoond, richt zich zelfs expliciet tot jonge bezoekers: kinderen kunnen daar zelf aan de slag met kleurplaten, opdrachten die uitnodigen voorwerpen in de tentoongestelde werken terug te vinden, en een computer die de opgedane kennis test en bij goed gevolg een heus certificaat afgeeft.

In feite zet deze thematische benadering zich voort in de manier waarop de werken van Jan Luyken worden gepresenteerd. Informatie over techniek en uitvoering van de werken ontbreekt nagenoeg. Daardoor blijft het bijvoorbeeld duister waarom tekeningen voor prenten uit een en dezelfde reeks, in uitvoering soms sterk van elkaar verschillen: van bladen met een vrij strakke lijnvoering tot veel schetsmatiger, soms met het penseel gewassen tekeningen. Over de mogelijkheid dat de tekeningen later, na Luykens dood, zouden kunnen zijn bewerkt, wordt gezwegen.

Ook de evidente religieus-moraliserende inhoud van de prenten komt er bekaaid vanaf. Ze worden op zo'n manier getoond dat de tekst waarvan elke voorstelling oorspronkelijk vergezeld ging, onder passepartouts verdwijnt - als het al niet gaat om prenten waar het commentaar ooit van af is geknipt. De bijbehorende tekstborden richten zich vrijwel uitsluitend op het verhaal van het dagelijks leven omstreeks 1700 dat de plaatjes zo mooi lijken te vertellen. Zo kan het dat, waar in de afdeling 'beroepen' de boekdrukker ter sprake komt, de toelichting plompverloren afsluit met de opmerking: 'Voor Jan Luyken was de Bijbel het belangrijkste boek'.

Pas helemaal aan het einde van de tentoonstelling dringt de portee van deze wat laconieke vaststelling goed door. Daar worden enkele tekeningen getoond waarbij de tekst die Luyken erbij had bedacht, bij uitzondering wél is te zien. Eén ervan toont de 'Aanspreker', de functionaris die sterfgevallen wereldkundig maakt. Het bovenschrift luidt: 'Heden Dijn, morgen Mijn' en vervolgt, in een variant op Psalm 39: 'De mensche is de ijdelheid gelijck, sijn dagen sijn als een voorbijgaande schaduwe'.

Nog explicieter, zowel in tekst als beeld, is de moraal van een tweede tekening met het doodgraversbedrijf als thema. Daar schrijft Luyken: 'Maakt hier uw woning niet te breedt, als gij dit Huijssen overmeet', een vermaning aan mensen die het aardse bestaan te lichtvaardig opvatten en hun rijkdom onbeschaamd tentoonspreiden. De illustratie toont twee doodgravers. De kist die ze torsen, is merkwaardigerwijs dwars op de baar geplaatst. De voorstelling laat zien hoe iemand de deur van zijn huis zo groot heeft gemaakt dat, als het er niet meer toe doet, zijn kist er zelfs in de breedte doorheen past. De boodschap is duidelijk - maar of het ook een objectieve illustratie is van de praktijk van een begrafenisonderneming zo omstreeks 1700?