De Droom

Je ziet het of je ziet het niet, leert een empirisch onderzoekje onder collega's. Degenen die het zagen, zeggen: “Ja, natuurlijk! Dat is het eerste wat ik zag!” Zij die het niet zagen, zeggen (glazige blik): “Ja, nu je het zegt, zie ik het ook.” De laatsten waren talrijk genoeg om te veronderstellen dat ook menige lezer van deze krant het niet gezien heeft. Hoewel veel andere lezers het ongetwijfeld wel gezien zullen hebben en zullen denken dat ik een open deur intrap, schrijf ik het toch maar even op.

Afgelopen dinsdag prijkte op de voorpagina van NRC Handelsblad het schilderij De Droom uit 1932, van Picasso. Het is afkomstig uit de privé-collectie van het Amerikaanse echtpaar Ganz en bracht op een veiling van Christie's 44 miljoen dollar op, waarmee het werk het op één na kostbaarste Picasso-schilderij werd. Het is een portret van een op een fauteuil gezeten slapende vrouw.

Wat ik meteen zag toen de krant nog op de deurmat lag (dit is typisch zo'n van de eerste blik afhankelijk inzicht), zie je pas goed als je de bovenste helft van haar door een slagschaduw in tweeën gespleten gezicht afdekt. Je ziet dan nog steeds een gezicht, maar en profile in plaats van en face. Het minuscule rode mondje wordt dan een tongetje dat, als je het gezicht weer in zijn geheel bekijkt, een penis likt. Het bovenste oog is de rand van de eikel.

Vervolgens controleer je of wat zo evident lijkt misschien gezichtsbedrog is. Dat is het waarschijnlijk niet. De handen van de vrouw rusten in haar schoot, het is best mogelijk dat zij masturbeert. De bovenzijde van haar jurk is zwoel en sensueel van haar schouders afgegleden, één borst is half ontbloot. De algehele indruk is er een van gelukzaligheid.

De titel, begrijp je dan, is ook niet toevallig gekozen. Picasso noemde het doek niet Slapende vrouw maar De Droom. Gezien het jaar waarin hij het doek maakte en gezien zijn contacten met de surrealistische beweging, is het heel wel mogelijk dat de schilder refereert aan Freud. Was will das Weib? Juist!

Het kan onzin zijn, maar ik denk het niet.

    • Pieter Kottman