Berechten van oorlogsmisdadigers nieuwe, en begrotelijke, taak; Volop werk voor militaire kamer

Buitenlandse oorlogsmisdadigers mogen worden berecht bij de militaire kamer van de rechtbank in Arnhem. Maar het kan nog “zeer vele maanden duren” voordat het zover is.

ARNHEM, 13 NOV. Pal naast het paleis van justitie in Arnhem is vorig jaar een gloednieuwe rechtbank verrezen. De oudbouw wordt sindsdien ingrijpend gerenoveerd, onder andere om straks ruimte te bieden aan de militaire kamer, zoals de krijgsraad tegenwoordig heet. Daar zullen uiteindelijk de van oorlogsmisdaden verdachte ex-Joegoslaven worden berecht.

De Hoge Raad bepaalde deze week dat militaire rechters in Nederland bevoegd zijn oorlogsmisdaden te behandelen die buitenlanders in het buitenland hebben gepleegd. Plaats van de berechting wordt Arnhem, de enige plaats met een militaire kamer.

Een mini-tribunaal, zo is Arnhem al genoemd, naar het voorbeeld van het grote tribunaal van de Verenigde Naties in Den Haag. Daar worden de grote en de bijzondere zaken behandeld, in Arnhem komt een selectie van de resterende zaken aan bod.

Er wordt nu eerst een plan van aanpak opgesteld, aldus persofficier mr. A. Besier. In dat plan worden de opsporingsdoelen geformuleerd en worden de criteria bepaald waaraan verdachten moeten voldoen in het geval het tot een rechtszaak mocht komen. De criteria zijn dat er een “redelijk vermoeden van schuld is” en dat de verdachte in Nederland moet wonen.

Besier: “We gaan geen zaken behandelen van mensen van wie alleen maar gezegd is dat ze iets gedaan hebben, maar tegen wie verder nauwelijks bewijs is aangevoerd. Als ze bovendien niet in Nederland wonen, heeft de zaak voor ons verder geen zin en zullen we het overdragen aan het land waar de verdachte zich bevindt, vooropgesteld dat we dat weten.”

Het speciaal ingestelde Nationaal opsporingsteam Joegoslavische oorlogsmisdadigers (NOJO) wordt opnieuw bemand, zo kondigt Besier aan. Het team bestond aanvankelijk uit acht mensen, maar in afwachting van het arrest van de Hoge Raad werden de activiteiten van NOJO op een laag pitje gezet. Besier: “We zullen nu een aantal rechercheurs uit andere functies moeten vrijmaken en ze kennis laten opdoen.”

Hoe groot het team uiteindelijk wordt, is volgens Besier niet te zeggen. Dat is onder andere afhankelijk van het aantal zaken dat Arnhem gaat behandelen, en dat is weer afhankelijk van de extra financiële middelen die het openbaar ministerie in Arnhem krijgt van het ministerie. Het team zal, indien noodzakelijk, ook onderzoek doen in andere landen, ook in voormalig Joegoslavië.

Uit de woorden van Besier blijkt dat er nog bijzonder veel onduidelijk is. Het zal zeker nog “zeer vele maanden” duren, voordat in Arnhem de eerste verdachte zal worden berecht. Justitie heeft inmiddels enkele tientallen dossiers aangelegd en zal een aantal daarvan nu in behandeling nemen. Daartoe moeten onder andere de getuigen opnieuw gehoord worden. Besier: “Het is de vraag of die wel weer beschikbaar zijn. Het gaat vaak om mensen die zullen terugkeren naar het voormalig Joegoslavië of die daar familie hebben wonen. Die kunnen bang zijn belastende verklaringen af te leggen.” Bovendien, zo zegt Besier, gaat het om de getuigenis van iemand uit “de ene groepering tegen die uit een andere”. “Dan moet je nog veel meer dan normaal opletten hoe het zit met de betrouwbaarheid van de getuige.”

Het ligt voor de hand, zo meent Besier, dat Justitie geld beschikbaar stelt om extra rechters en politiemensen aan te trekken.

De rechtbank in Arnhem heeft een poule van rechters die bij de militaire kamer worden ingezet. Als de Joegoslavië-zaken eenmaal gaan lopen, betekent dat een claim op de zittende magistratuur. Besier: “Er zal in de aanloop naar de zittingen ook veel werk gedaan moeten worden door de rechters-commissarissen. Ik kan me daarom niet voorstellen dat er geen geld voor extra menskracht wordt gegeven.” Hij verwijst in dit verband naar de 50 miljoen gulden die minister Sorgdrager (Justitie) beschikbaar heeft gesteld om de werkdruk van de rechtbanken te verminderen. Volgens de persofficier zijn er “grote bedragen” nodig voor de militaire kamer.

Toch zullen er straks niet veel zaken ineens worden behandeld, verwacht hij. “Ik schat in dat we rustig beginnen. Wanneer we veel zaken in één keer willen behandelen, bestaat de kans dat we erin verdrinken. Bovendien wordt het dan veel te breed, veel te onoverzichtelijk voor de militaire kamer.”

De zaken worden behandeld op basis van het Nederlandse wetboek van strafvordering. Bij het tribunaal in Den Haag wordt gewerkt met een mengeling van systemen, waarbij het Angelsaksische rechtsmodel de boventoon voert. “Daar hebben ze hun eigen procedures, hun eigen wetboek. Dat kan dus tot juridisch-technische problemen leiden als we halverwege een zaak de boel moeten overdragen aan het tribunaal. Alleen daarom al is het belangrijk dat er, voorafgaand aan een zaak, overleg en afstemming is met Den Haag. En dat zal dus ook gebeuren.”

Er moet volgens Besier overigens niet alleen aandacht worden besteed aan de rechtszaal, maar ook aan de gevangenissen. “We moeten voldoende capaciteit hebben om de verdachten veilig, en dan met name veilig voor zichzelf, te kunnen insluiten.”