Amerikaanse choreograaf gebruikt lange, kleine, magere en dikke dansers; Bill T. Jones zoekt dans in het lichaam zelf

Voorstelling: Blue Phrase, Ballad, New Duet, Ursonate door Bill T. Jones/Arnie Zane Dance Company. Choreografie: Bill T. Jones. Licht: Robert Wierzel. Kostuums: Olga Maslova, Liz Prince, Byron Lars. Gezien: 12/11, Het Muziektheater, Amsterdam. Aldaar 14 en 15/11.

Na de opschudding over de productie Still/Here van de Bill T. Jones/Arnie Zane Dance Company twee jaar geleden - een voorstelling waaraan terminaal zieke patiënten via videobeelden hun medewerking verleenden - lijkt choreograaf en artistiek leider Bill T. Jones een nieuwe weg te zijn ingeslagen. Waar voorheen zijn werken en die van zijn in 1988 gestorven partner Arnie Zane vaak ontstonden vanuit een maatschappijkritische visie en een theatrale invalshoek, gaat het in de dansstukken, waarmee het Amerikaanse gezelschap nu in Het Muziektheater in Amsterdam optreedt, vooral om pure dans, om het zoeken naar een nieuw dansvocabulaire waarbij de menselijke stem de ritmische en melodische impulsen initieert.

Ook verscheidenheid in lichaamsbouw vormt een inspiratiebron en het gezelschap telt dan ook kleine, lange, broodmagere, flink gespierde en mollige dansers. Hoe verschillend in fysiek ook, ze zijn allemaal soepel, muzikaal, vitaal en hebben een grote technische beheersing.

Speciaal voor een dikke danseres maakte Bill T. Jones een solo op saxofoonmuziek van Eric Dolphy. In Amsterdam wordt die solo gedanst door de inderdaad dikke Alexandra Beller (op 15 november door Josie Coyco) en zij laat zien dat als er werkelijk dans in een goed getraind lichaam zit, de vorm daarvan niet meer onvoorwaardelijk doorslaggevend is. Ze beweegt als een gladde aal, is snel en licht maar weet ook even trefzeker vinnige accenten aan te brengen. Wat opvalt in deze choreografie en eigenlijk ook in de andere drie stukken, is dat de bewegingscompositie vooral op en in het lichaam zelf geconcentreerd is. Veel minder concentreert Jones zich op het in bezit nemen van de ruimte. De bewegingen dienen nauwelijks als expressiemiddel voor emoties.

Voor Ballad liet Jones zich inspireren door opnames waarop Dylan Thomas zijn eigen gedichten voordraagt. Het ritme, de melodie en het timbre van zijn stem en de woorden ervoer Jones als muziek. Hij maakte een dromerig, maar ook kracht uitstralend werk, dat zowel door een mannelijke, een vrouwelijke of een gemengde cast van zes dansers uitgevoerd kan worden. Een mooi, maar niet erg meeslepend dansstuk, zoals ook het New Duet - een duet waarin de twee dansers nergens fysiek contact met elkaar hebben - mij niet op de punt van mijn stoel deed zitten.

In Ursonate, gemaakt in samenwerking met Darla Villani op het gelijknamige klankdicht van Kurt Schwitters uit 1928, komt de rijkdom van Jones nieuwe danstaal het sterkst en meest overtuigend naar voren, terwijl de medewerking van Villani voor een andersoortige en boeiender opbouw zorgde. De fascinerende, door Christoffer Butterfield voortreffelijk vertolkte, doorlopende stroom van subtiel variërende klanken en lettergrepen zonder letterlijke betekenis, biedt een uitstekende begeleiding voor Jones' en Villani's grillige, speelse, driftige, intrigerende, relativerende en soms heel poëtische danscompositie, waarin de tien dansers van de groep en Jones zelf (die in het programma een dominant solistische rol inneemt) ten volle hun indrukwekkende individueel dansersschap konden tonen. Het stuk bewijst ook dat een grote verscheidenheid aan individuen een heel vanzelfsprekende eenheid kan opleveren.