Al te flexibele pensioenfondsen

De flexibilisering van pensioenen leidt ertoe dat pensioenfondsen steeds vaker individueel gerichte pensioenproducten uitvoeren. Daarmee betreden de fondsen het speelveld dat eigenlijk des verzekeraars is. Dat is de verzekeraars een doorn in het oog. Niet alleen betekent het optreden van pensioenfondsen concurrentie.

Het probleem is vooral dat dit als oneerlijke concurrentie wordt gezien, omdat er voor pensioenfondsen en verzekeraars verschillende wettelijke regels gelden. Er is, zoals dat heet, geen level-playing-field tussen pensioenfondsen en verzekeraars. De verzekeraars hebben inmiddels staatssecretaris De Grave van Sociale Zaken aan hun zijde gevonden. Hij wil de uitvoering van individuele verzekeringen door pensioenfondsen beperken.

De verschillen tussen pensioenfondsen en verzekeraars zijn divers. Zo gelden voor pensioenfondsen minder strenge eisen dan voor verzekeraars ten aanzien van de solvabiliteit. Verder zijn pensioenfondsen anders dan verzekeraars vrijgesteld van de heffing van vennootschapbelasting. Pensioenfondsen bevinden zich hierdoor in een gunstiger concurrentiepositie dan verzekeraars. Jarenlang werd dit nauwelijks als een probleem ervaren en bestonden pensioenfondsen en verzekeraars in ogenschijnlijke harmonie met en naast elkaar. Leven en laten leven was het motto.

Dit kwam mede voort uit het respecteren van elkaars eigen speelveld. Pensioenfondsen waren de uitvoerders van collectieve pensioenregelingen voor een afgebakende groep werknemers. Verzekeraars konden op zich ook collectieve pensioenregelingen uitvoeren, maar op het speelveld van de individuele verzekeringen hadden verzekeraars een alleenrecht.

In 1949 werd de onderlinge taakafbakening formeel vastgelegd in een gentleman's agreement tussen bedrijfstakpensioenfondsen en verzekeraars. Bij dat 'herenakkoord' verplichtten de pensioenfondsen zich om uitsluitend pensioenregelingen voor de collectiviteit van werknemers uit te voeren. De uitvoering van individuele pensioenregelingen vond men niet passend bij het collectieve karakter van pensioenfondsen en dat werd derhalve exclusief aan verzekeraars overgelaten.

De hiermee aangebrachte scheiding tussen collectieve regelingen en individuele verzekeringen werkte goed in de tijd dat pensioenregelingen als collectieve en uniforme regelingen waren opgezet. De moderne pensioenregeling daarentegen voldoet steeds minder aan dit beeld, want daarbij zijn flexibel en individueel de steekwoorden. In het kader van de flexibilisering gaan veel pensioenregelingen ertoe over werknemers de individuele keuze te bieden, om door eigen premiebetaling een extra pensioen te verzekeren. Er is dan geen sprake meer van een collectieve en uniforme dekking voor alle werknemers. Neen, de werknemers bepalen zelf of zij een extra pensioen willen verzekeren.

Dit zogenaamde keuzepensioen voor rekening van de werknemer zelf kan gebruikt worden om tal van pensioentekorten op te vangen, bijvoorbeeld: Het opvullen van pensioengaten die ontstaan door de beperking van de sociale zekerheidsuitkeringen. Zo maakt de individuele bijverzekering van het WAO-gat (arbeidsongeschiktheid), ANW-gat (overlijden) en AOW-gat (ouderdom) tegenwoordig furore. Het bijverzekeren van een pensioen tot het eindloonniveau indien de collectieve pensioenregeling als middelloonregeling zou worden opgezet. Het bijverzekeren van een extra pensioen indien de werknemer kiest om vervroegd met pensioen te gaan. Eerdere ingang van het pensioen resulteert immers in een actuariële korting op het pensioen. Het bijverzekeren van extra pensioen over variabele loonbestanddelen wanneer in de collectieve pensioenregeling alleen het basisloon in aanmerking wordt genomen. Het bijverzekeren van een extra verhoging van het ouderdomspensioen indien na een scheiding de helft daarvan aan de ex-echtgenoot moet worden afgestaan.

Het opvallende is dat juist in februari van dit jaar het begrip pensioentoezegging in de wetgeving een face-lift heeft gekregen, waarbij het mogelijk is gemaakt al dit soort individuele keuzepensioenen voor rekening van de werknemer zelf, door een pensioenfonds uit te laten voeren. Vóór de face-lift diende de werkgever tenminste de helft van de pensioenpremie te betalen en deze eis stond vanzelfsprekend in de weg voor extra bijverzekering voor rekening van de werknemer zelf. Thans kan ook een volledig door de werknemer gefinancierde pesioenregeling bij een pensioenfonds worden ondergebracht.

De pensioenfondsen springen dankbaar op de aldus ontstane nieuwe mogelijkheden in met tal van individuele opties voor de werknemers. Wanneer het extra bijverzekerde pensioen een geïntegreerd onderdeel wordt van de collectieve pensioenregeling en in alle opzichten gelijk wordt behandeld met het collectieve pensioen, kan men daar nog wel vrede mee hebben. Indien het pensioenfonds evenwel het keuzepensioen gesepareerd van de collectieve pensioenregeling uitvoert en het in feite als een individuele verzekering behandelt, is het pensioenfonds eigenlijk gewoon bezig verzekeraar te spelen. Wat is ook het verschil, tussen aan de ene kant het aanbod van de verzekeraar aan de consument om, indien de consument dat wil, tegen eigen premiebetaling een lijfrente te verzekeren en aan de andere kant het aanbod van het pensioenfonds aan de werknemer om, indien de werknemer dat wil, tegen eigen premiebetaling een extra pensioen te verzekeren? Geen, denk ik.

Pensioenfondsen spelen denk ik daarom met vuur indien zij al te zeer het pad van de individuele verzekeringen opgaan. De fondsen betreden dan het speelveld van de verzekeraars. Op zich hoeft daar geen bezwaar tegen te bestaan, maar dan zouden de fondsen zich ook aan de spelregels voor verzekeraars moeten onderwerpen. Als pensioenfondsen al te veel de weg van individuele verzekeringen opgaan, zullen pensioenfondsen niet vreemd moeten opkijken indien op een gegeven moment de verzekeraars-regels ook voor de fondsen gaan gelden. Pensioenfondsen zouden zich alleen reeds op grond hiervan zelf beperkingen moeten opleggen.

Staatssecretaris De Grave van Sociale Zaken heeft inmiddels aangekondigd dat er beperkende regels zullen komen voor het functioneren van pensioenfondsen, zodanig dat de elementen collectiviteiten en solidariteit bepalend zijn voor de door pensioenfondsen uit te voeren pensioenregelingen.

De behoefte om te flexibiliseren en om aan werknemers de keuze te bieden zelf voor een extra pensioen te sparen, zullen met dergelijke beperkende regels niet verdwijnen. Het zal er dan op neerkomen dat pensioenfondsen naar andere wegen moeten zoeken om deze individuele verzekeringen aan de man te brengen. Daartoe zal een samenwerkingsverband met een verzekeringsmaatschappij uitkomst kunen bieden. Dat kan op zich een door het pensioenfonds opgerichte 'eigen' verzekeraar te zijn, hoewel opgepast moet worden voor ongewenste financiële belangenverstrengelingen en voor misbruik van de machtspositie die het pensioenfonds ten opzichte van zijn eigen deelnemers heeft. Maar in ieder geval zal het toekomstbeeld zijn dat er meer samengewerkt zal worden tussen pensioenfondsen en verzekeraars, waarbij deze instellingen elk vanaf hun eigen speelveld elkaar de bal toespelen.