Wetsontwerp Flexibiliteit en Zekerheid soepel door Kamer; Melkert ontmoet geen weerwerk; Werknemers en werkgevers weten nauwelijks wat hen te wachten staat

Minister Melkert ondervond gisteren nauwelijks tegenstand om zijn wetsvoorstel Flexibiliteit en Zekerheid door de Tweede Kamer aangenomen te krijgen.

DEN HAAG, 12 NOV. En weer kon minister Melkert (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) een kruisje zetten achter een wetsvoorstel van zijn ministerie dat zonder noemenswaardige tegenstand door de Tweede Kamer werd geloodst. Wederom betrof het een onderwerp dat vooraf tot hevige politieke en soms ideologische strijd had geleid maar bij de uiteindelijke Kamerbehandeling een milde behandeling kreeg. Het ging gisteren om het wetsvoorstel dat een balans moet bieden tussen flexibiliteit en zekerheid in de arbeidsvoorwaarden. De nadruk die dit in het regeerakkoord kreeg, was omgekeerd evenredig met de spanning in het debat erover. Net zoals de debatten over de marktwerking in de WAO, de complete herziening van de uitvoering van de sociale zekerheid, de modernisering van de wet op de ondernemingsraden, de nieuwe bijstandswet en het strengere regime voor misbruik van uitkeringen.

Zo gemoedelijk als Kamer en kabinet elkaar gisteren over Flexibiliteit en Zekerheid tegemoet traden, zo totaal onbewust zijn werknemers en werkgevers zich van de ingrijpende veranderingen die hen boven het hoofd hangen. Althans, dat menen arbeidsrechtdeskundigen, bijvoorbeeld in de advocatuur, die aan hun cliënten - werkgevers en werknemers - merken dat de betekenis van de nieuwe wet nog niet is doorgedrongen. Ze krijgen nog wat respijt, want Melkert zei gisteren dat hij verwacht dat de wet niet op 1 januari 1998 in zal gaan, maar hoogstwaarschijnlijk “in het voorjaar, in ieder geval voor 1 juli”.

Dat is slecht nieuws voor de 'flex-sector' bij uitstek, de wereld van de uitzendbureaus. Die zijn, in tegenstelling tot de meeste werkgevers, wel geheel en al voorbereid op de nieuwe regels rondom flexibel werken en ze gingen er vanuit dat ze op 1 januari een groot aantal veranderingen door zouden kunnen voeren. Het gaat daarbij om de afschaffing van de vergunning om een uitzendbureau te beginnen en van de maximale uitzendduur (zes maanden). Door dit laatste hadden uitzendbureaus zich vanaf 1 januari op de lucratieve headhunters- en interim-managementmarkt kunnen storten. Voordeel van het uitstel is dat het wat langer duurt voordat uitzendbureaus mensen vast aan moeten nemen, als ze langer dan anderhalf jaar bij één of langer dan drie jaar bij meerdere opdrachtgevers hebben gewerkt.

Vergelijkbare bepalingen gelden vanaf 'ergens begin volgend jaar' voor alle werkgevers en werknemers. Wanneer een werknemer voor een werkgever werkt op basis van een 'ketting' van allerlei contracten voor bepaalde tijd, dan moet die werkgever hem voor vast aannemen als de contracten samen drie jaar beslaan. Hetzelfde geldt als er drie contracten voor bepaalde tijd worden gesloten: zolang er steeds minder dan drie maanden tussen elk contract ligt, moet de werknemer bij het derde contract een vast contract krijgen.

Eigenlijk is de kern van het voorstel dat gisteren afgehandeld is, een ruil tussen werkgever en werknemer. De eerste kan de tweede makkelijker ontslaan, omdat hij langer met contracten voor bepaalde tijd kan werken. In ruil daarvoor zou de werknemer meer zekerheid moeten krijgen. Of die ruil eerlijk is, daarover lopen de meningen uiteen.

Melkert's voorstel slaat teveel door naar een versterking van de zekerheid van de werknemer, betogen VVD en in mindere mate D66. Daardoor wordt de werkgever nauwelijks enige flexibiliteit geboden. Een voorbeeld daarvan is wat VVD'er Hofstra betreft de “volstrekt achterhaalde”, uit de wederopbouw stammende, 'preventieve ontslagtoets'. Dat is de mondiaal gezien unieke Nederlandse regel dat een derde persoon, de directeur van het arbeidsbureau, toestemming voor ontslag moet geven.

De toets moet wat VVD en D66 afgeschaft worden, ontslagen werknemers moeten zich wenden tot de kantonrechter. Tegen diens beslissing is evenwel geen hoger beroep mogelijk. Een Kamermeerderheid wil dit hoger beroep invoeren, maar Melkert is daartegen. Het was een van de weinige rimpelingen in het debat over flexibiliteit en zekerheid, een oneffenheid die zonder enig weerwerk werd gladgestreken door Melkert met zijn toezegging om voor 1 maart “eens naar het hoger beroep te kijken”.

Aan de andere kant van de denkbeeldige balans stond tijdens het Kamerdebat GroenLinks-fractievoorzitter Rosenmöller. Veel te veel flexibiliteit en veel te weinig zekerheid, is zijn oordeel over het evenwicht van Melkert's wetsvoorstel. Een onnodig voorstel bovendien, want de Nederlandse arbeidsmarkt is niet zo star als Melkert wil doen geloven, meent Rosenmöller.

Een groot aantal juristen zijn het met het Kamerlid eens. Onder aanvoering van professor arbeidsrecht P. van der Heijden richten zij hun kritiek vooral op de 'ketting' van tijdelijke contracten waarmee het in plaats van één jaar, voortaan drie jaar duurt voordat een werknemer het felbegeerde vaste contract verwerft. Veel werkgevers bieden hun nieuwe werknemers eerst een jaarcontract aan, voordat ze het aandurven een vast contract te bieden. Het ene jaar is eigenlijk een proeftijd. Maar vanaf volgend jaar kan een ondernemer zijn werknemer drie jaar aan het lijntje houden. Al die tijd verkeert die in onzekerheid, kan hij geen huis kopen en krediet afsluiten.

Waar veel ondernemers niet op zijn voorbereid is wat er gebeurt als de 'ketting' van contracten voor bepaalde tijd uiteindelijk overgaat in een vaste baan. Dan moeten alle pensioenkosten met terugwerkende kracht over de 'ketting-periode' worden betaald. De kans lijkt groot dat een werkgever die dit wel weet, zal proberen de zekerheid, het vaste dienstverband, te vermijden.