Racisme en heroïek bij de brandweer van jofel Amsterdam

Mene Tekel. Regie: Pieter Fleury. In: Cinecenter, Amsterdam; Babylon, Den Haag.

De ondertitel van Pieter Fleury's lange documentaire Mene Tekel luidt: 'een film over schapen, onmacht en de Amsterdamse brandweer'. De quasi-betekenisvolle nevenschikking van deze drie, ook in de film, totaal ongelijksoortige begrippen duidt op een probleem, dat met compositie en evenwicht te maken heeft; inderdaad is dat het probleem waar Mene Tekel over struikelt. Aan ambitie heeft het regisseur Fleury niet ontbroken. Na een groot aantal buitenlandse onderwerpen (de documentaires Beyond Tokyo en Shanghai, The People's City, bijdragen aan de VPRO-rubriek Diogenes) werkte hij drie jaar aan zijn film over het allochtonenbeleid van de gemeente Amsterdam. Fleury beperkte zich tot een enkele sector: hij filmde de personeelsafdeling van de brandweer bij hun onmogelijke taak het voorkeursbeleid bij de aanname van nieuwe werknemers uit te voeren en te verdedigen. Het mooiste staaltje is het telefoongesprek dat een allochtone personeelsfunctionaris met een Pakistaanse sollicitant moet voeren: “Ik heb een vervelende mededeling. We kunnen u niet aannemen, omdat u op grond van een besluit van 1 juli 1994 geen allochtoon meer bent”.

Hij filmde ook de heroïsche pogingen van het arbeidsbureau om een Marokkaanse werkloze te motiveren en het stuklopen van zijn jargon op de meer praktisch ingestelde cliënt. Hij filmde vooral op de werkvloer, waar besnorde en kort geknipte jofele Amsterdammers zo hun eigen gedachten hebben over de geschiktheid van zwarten en vrouwen om crisissituaties het hoofd te bieden. Vooral de confrontaties tussen de oude blanke brandweergarde en zwarte nieuwkomers leiden soms tot opmerkelijke en openhartige filmische observaties.

De harde kern van Fleury's film, de in de trant van de 'direct cinema' gedraaide flarden realiteit, zou een aardige documentaire op hebben kunnen leveren. Maar waarom filmt hij de Marokkaanse werkloze met een geslacht schaap in de keuken? Als ironisch commentaar op de in de brandweerkazerne gedebiteerde racistische clichés? Waarom zweeft de camerakraan zo vaak over de daken van de hoofdstad? En wat betekent die, in de inleiding uitvoerig toegelichte oudtestamentische titel? Voor wie is het teken aan de wand? Welke dagen zijn geteld, welke daden gewogen en welk rijk gedeeld? Het klinkt als gewichtigdoenerij, dit omen van de multiculturele samenleving, die er ook zonder bijbelse poespas toch wel komt. Als de film ons iets leert, is het wel dat verheven pogingen om zielige allochtonen vooruit te helpen eerder averechts werken.