Politiek dienstbetoon

“Bij jullie is toch veel meer te regelen dan bij ons, als je maar de goede kruiwagen hebt”, zei een inwijkeling die dit blijkbaar aan den lijve had ondervonden. De man bedoelde het politiek dienstbetoon, een manier om mensen met problemen behulpzaam te zijn.

Want hoe gaat dat? Een burger heeft een stukje grond gekocht, maar de bouwtoelating laat op zich wachten. Het pensioentje komt maar niet door. De dochter had zo graag dat baantje bij de PTT. In plaats van de administratieve molen te volgen gaat men naar een politicus die plaatselijk, maar liefst nationaal actief is. Deze belooft te informeren en, inderdaad, de zaak kent een sneller verloop. Loon daarvoor? Geen centen, maar bij de volgende verkiezingen krijgt de geholpene een briefje met beleefd verzoek een stem op de helper uit te brengen.

Dat vindt men hier normaal, tenminste als het daarbij blijft. Worden daarbij centen of goederen in natura toegeschoven dan is dat corruptie en zowel laak- als strafbaar.

Waar komt dit dienstbetoon vandaan? Op een debatavond net over de grens waren voor dit onderwerp aanwezig: enkele Vlaamse politici, een journalist en als debatleider Derk-Jan Eppink. Door de politici werd het dienstbetoon genuanceerd verdedigd, er werd verwezen naar de Angelsaksische landen waar die praktijken nog zwaarder wegen, men sprak van historisch gegroeide situaties.

Toen aan het publiek gevraagd werd naar een mening, verhief zich een persoontje die zei: “Dat dienstbetoon komt van de katholieken.” Vroeger spoedde een ieder zich op zondag naar de kerk, burgemeester en raadsleden aan kop. Na de mis trok een ieder naar de kroeg, handig gelegen onder de toren. Daar werd de zondag gevierd met bier, borrels en kaatsspel en de politici luisterden welwillend naar hun kiezers. Zo werd de katholieke kroeg een instituut dat uitdijde naar de gemeentehuizen en partijlokalen.

Die uitleg was zo simpel dat er geen weerwerk op kwam. Aan een man die zei dat voorkruiperij onrechtvaardig was, werd wijs geantwoord: “'t Zal beteren als de duivel dood is, maar die is nog niet eens ziek.”

    • Leo Suykerbuyk