Krijgsraad krijgt 'Bosnië' op z'n bord

De militaire justitie in Nederland heeft er sinds gisteren een taak bij: opsporing en berechting van buitenlandse oorlogsmisdadigers die naar Nederland zijn uitgeweken. Dat lijkt echter eenvoudiger dan het is, want het bewijs moet in het buitenland worden gevonden.

AMSTERDAM, 12 NOV. De Nederlandse militaire justitie mag buitenlandse oorlogsmisdadigers berechten, ook al heeft Nederland part nog deel gehad aan het conflict in kwestie. Dit heeft de Hoge Raad gisteren beslist in een proefproces.

De zaak is twee jaar geleden begonnen door het openbaar ministerie bij de krijgsraad in Arnhem en betreft de Bosnische Serviër Darko K., die uit het voormalige Joegoslavië naar Nederland was uitgeweken en hier was toegelaten.

K. wordt beschuldigd van betrokkenheid bij de etnische zuiveringen rond de plaats Prijedor in Bosnië-Herzegovina, medio 1992. Concreet ging het om een dubbele moord, een poging tot verkrachting en medewerking aan de deportatie van gevangenen naar het gevangenkamp Keraterm.

Nederland besloot in maart 1994 tot een actief beleid tegen uitgeweken oorlogsmisdadigers. Als gastland van het straftribunaal van de Verenigde Naties in Den Haag kon het moeilijk anders. Er is een meldpunt ingericht en er kwam een speciaal rechercheteam met acht medewerkers, het NOJO (Nationaal opsporingsteam Joegoslavische oorlogsmisdadigers). Dit heeft in een half jaar 30 dossiers aangelegd, waarvan de helft al direct leidde tot een inventariserend onderzoek.

Eerder was er al een klacht binnengekomen tegen de in Nederland verblijvende Afghaanse generaal K. Maar de officier van justitie bij de krijgsraad A.P. Besier concludeerde dat deze niet voldeed aan de inderhaast opgestelde beleidsmatige criteria.

Het NOJO-team stuitte intussen op ernstige juridische complicaties. Deze waren voor Besier en zijn collega M. van Raaij aanleiding de rechter-commissaris in te schakelen voor het proefproces dat, na behandeling door de rechtbank in Arnhem, de Hoge Raad en een terugverwijzing naar de militaire kamer van het gerechtshof in Arnhem, nu heeft geleid tot een eindbeslissing van de Hoge Raad.

De strafvervolging tegen K. is gebaseerd op de Wet Oorlogsstrafrecht van 1952. Deze wet is mede tot stand gebracht om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen van Genève over het humanitaire oorlogsrecht. Dit betekende volgens de regering dat het zogeheten universaliteitsbeginsel geldt: de Nederlandse rechter is bevoegd oorlogsmisdrijven te berechten waar en door wie ook begaan.

De tekst van de wet zelf spoort echter niet met deze bedoeling en ook de parlementaire behandeling biedt ruimte voor meer interpretaties. Deze houden verband met de verschillende rechtsgevolgen van een oorlog die officieel verklaard is en “andere conflicten”, zoals een burgeroorlog. Het gaat daarbij niet alleen om de vraag of Nederland bevoegd is oorlogsmisdaden uit het voormalige Joegoslavië te berechten. Bij een bevestigend antwoord is niet duidelijk of deze zaken bij de gewone rechter moeten worden aangebracht of bij de militaire rechter.

De reacties op deze vraag van de verschillende rechterlijke instanties en de adviezen die bij enkele hoogleraren werden ingewonnen, vertonen een “caleidoscopisch” beeld, verzuchtte Van Raaij. Voor een bevestigend antwoord op de vraag of Nederland wel bevoegd was, tekende zich een duidelijke meerderheid af. De keuze tussen de gewone of de militaire rechter was meer omstreden en is nu door de Hoge Raad ten gunste van de laatste beslist.

De eigenlijke berechting van K. moet nu nog beginnen en brengt zijn eigen complicaties met zich mee. Hoe verhoudt de Nederlandse krijgsraad zich tot het straftribunaal van de VN? Dit tribunaal heeft het recht zaken aan nationale rechters te onttrekken, zoals ook is gebeurd in de eerste zaak waarin het uitspraak deed, de zaak-TadiEÉc. Deze verdachte was in Duitsland aangehouden. Het tribunaal heeft echter geen exclusief mandaat voor de berechting van oorlogsmisdadigers, maar alleen een zogenoemde concurrente bevoegdheid.

Dat laat de Nederlandse justitie de nodige ruimte. Zeker als het om “kleinere visjes” gaat, want het tribunaal streeft er naar zich te concentreren op kopstukken. Dit is echter eenvoudiger gezegd dan gedaan. Als Nederland de kleinere zaken wel vervolgt, terwijl het tribunaal er niet in slaagt de hoofdschuldigen aan te pakken, zou dat afbreuk kunnen doen aan de legitimiteit van de Nederlandse processen.

Officier van justitie Besier is daar echter niet bezorgd over. Wel wijst hij op de complicaties voor de bewijsvoering. De mogelijkheden voor samenwerking met de justitiële autoriteiten in het voormalige Joegoslavië zijn beperkt, zo heeft hij eerder dit jaar tijdens een werkbezoek aan Sarajevo ervaren. Daar kreeg hij overigens te horen dat de Nederlandse delegatie tot dusver de enige uit het buitenland was die zich was komen oriënteren over de mogelijkheid van onderzoek op de plaatsen des onheils.

    • F. Kuitenbrouwer