Het belastingregime na 2000; Een bedrieglijke mildheid

Over een belangrijk deel van de belastingplannen voor de volgende eeuw is het kabinet het al eens. Hier volgt de meest volledige inventarisatie die op dit moment te geven is. Het plan is heel wat revolutionairder dan zich aanvankelijk liet aanzien.

De eeuwwisseling betekent het einde van de inkomstenbelasting zoals wij die kennen. Tenminste als minister Zalm en staatssecretaris Vermeend (beiden Financiën) deze week het kabinet weten te overtuigen van het alternatief dat zij ontwikkelden: drie onafhankelijk van elkaar staande belastingen die volgens aparte regels omgaan met vermogensvoordelen, met ondernemingswinsten van directeuren-grootaandeelhouders, en als derde met arbeidsinkomen van particulieren en winsten van kleine ondernemers. Dat is het einde van het huidige samenstel van inkomstenbelasting en vermogensbelasting. Die laatste verdwijnt zelfs helemaal. Met deze operatie neemt Nederland afstand van het eind vorige eeuw in Duitsland ontwikkelde draagkrachtbeginsel dat voorschrijft dat iedereen naar evenredigheid van zijn inkomsten aan de schatkist bijdraagt. Dit dan ondanks het feit dat zowel de PvdA als het CDA en D66 dit beginsel nog pas enkele weken geleden tot uitgangspunt van hun concept-verkiezingsprogramma's hebben genomen.

Belasting voor aandeelhouders

Eigenlijk werd de aftrap voor het belastingstelsel voor de komende eeuw een jaar geleden genomen met de opzet van een nieuw heffingssysteem voor de winsten van groot-aandeelhouders: particulieren die meer dan vijf procent van het aandelenkapitaal in een vennootschap bezitten. Zij betalen 25 procent belasting over de voordelen uit dat aandelenbezit. Dat is meestal dividend of verkoopwinst. Zolang dat geld in de vennootschap blijft, betalen ze alleen vermogensbelasting. Dat laatste overigens met een grote vrijstelling. Vermogensverliezen kunnen met de belasting over arbeids- en vermogensinkomsten worden verrekend. Dit al op nieuwe leest geschoeide systeem blijft bestaan, maar de vermogensbelasting verdwijnt evenals de mogelijkheid verliezen te verrekenen met bijvoorbeeld arbeidsinkomsten. Daarmee komt deze zogenaamde aanmerkelijk belangheffing op zichzelf te staan. Het gaat om een zuivere vermogenswinstbelasting met één tarief (een vlaktaks).

Belasting voor spaarders en vermogenden

Volkomen nieuw is een vermogensrendementsheffing. Dat belast niet het bezit van vermogen noch de werkelijke inkomsten daaruit, maar wat de bewindslieden noemen de earning capacity: de mogelijkheid om vermogen renderend te maken. Die verdiencapaciteit staat volkomen los van de werkelijke verdiensten (winsten of verliezen). De nieuwe heffing gaat er vanuit dat men een nettorendement van vier procent kan halen en belast dat gefixeerde (forfaitaire) rendement vervolgens naar een vast tarief van 25 procent. Het aangrijpingspunt vormt de waarde van het netto vermogen (bezittingen minus schulden) per 1 januari van ieder jaar. Daarover betaalt men per saldo één procent belasting (25 procent van vier procent). Over 1997 was men over ongeveer dezelfde waarde een bedrag van 0,8 procent aan vermogensbelasting verschuldigd (in 1998 is dat 0,7 procent). Aan inkomstenbelasting over rente of dividend komt daar gemakkelijk nog een drie procent van de vermogenswaarde bij. Beide heffingen verdwijnen in het nieuwe systeem.

Onder de te belasten vermogenswaarde vallen alle bezittingen (daaronder ook lijfrenten) behalve het zelfbewoonde huis, de eerder genoemde aanmerkelijk belangaandelen, aanspraken op een redelijke pensioenregeling en gebruiksvoorwerpen als huisraad, auto's of een boot. Verder kan de regering om opportunistische redenen van alles vrijstellen zoals kunst, landgoederen of 'groene aandelen', sympathieke leningen aan studenten of startende ondernemers, al naar gelang de heersende politieke inzichten. Bovendien komt er een algemene vrijstelling van een vermogen van 75.000 gulden per huishouden.

Ook is er een vrijstelling voorzien van kapitaalverzekeringen die samenhangen met de financiering van de eigen woning (spaar-/levenhypotheken). Die nu ook bestaande vrijstelling vrijstelling wordt ruim 250.000 gulden. Trouwens alle fiscale regelingen rondom de eigen woning zijn door Zalm/Vermeend angstvallig buiten schot gehouden. Als tegenhanger voor het wegvallen van de huidige belastingheffing over de vermogensopbrengsten, spelen ook de kosten die met het vermogen verband houden na 2000 geen rol meer. Dat geldt dus voor bankkosten voor effectentransacties, maar ook voor de rente op leningen om effecten te kopen of de hypotheekrente voor het tweede huis. De inkomsten uit die tweede woning vallen overigens in het forfaitaire vierprocentsrendement en worden verder niet belast. De (hypotheek)schulden verminderen wel de waarde van het nettovermogen en daarmee ook het uiteindelijke belastingbedrag.

Het kan zijn dat men per saldo verlies lijdt op zijn beleggingen, tweede huis of vermogen. Dat doet dan niets af aan de verdiencapaciteit en in het voorgestelde systeem blijft ook dan de vierprocentsheffing gehandhaafd. Iemand die kan aantonen dat hij per saldo minder dan vier procent rendement heeft behaald, kan overigens wel de vierprocentsheffing over een volgend jaar reduceren. Die verliescompensatie vormt een inconsequentie in het systeem. Tot een belastingteruggaaf komt het in de vermogensrendementsheffing nooit. Omdat ze op zichzelf staat, is verliesverrekening met andere belastingen zoals de inkomstenbelasting niet mogelijk. Het gaat al met al om een uniforme heffing (vlaktaks) naar verdiencapaciteit, ongeveer het idee waarvoor de Rotterdamse hoogleraar Tinbergen in de jaren zeventig werd weggehoond.

Belasting over arbeid en uitkeringen

Vertrouwd maar uitgekleed is het restant van de bestaande inkomstenbelasting met een oplopend tarief. Daarin gaat het alleen nog om arbeidsinkomsten, ondernemingswinsten van zelfstandige ondernemers en uitkeringen; zowel die in de sociale zekerheidssfeer alsook lijfrente en alimentatie. De mogelijkheden om het inkomen op kunstmatige manier omlaag te brengen worden enorm gereduceerd. In de eerste plaats omdat er geen ruimte meer is voor renteaftrek ten behoeve van onder de hiervoor besproken heffingen vallende zaken zoals een effectenportefeuille of een lijfrente. Ook andere rentebetalingen zoals voor studiekosten en lang uitstaande belastingaanslagen (invorderingsrente) staan op de tocht.

De enige rente die onaantastbaar blijft, is de volledige (hypotheek)rente voor de aanschaf en verbetering van het eigen huis. Hoewel die onbeperkte renteaftrek internationaal gezien heel royaal is en er de laatste maanden op Financiën ook verscheidene redelijke alternatieven zijn uitgewerkt, durft het kabinet het niet aan om zelfs maar voorzichtig te wijzen naar deze aftrekpost. Een andere heilige koe vormt de giftenaftrek maar andere aftrekposten zoals die voor de ondersteuning van naaste verwanten staan op het punt om te verdwijnen.

Lijfrente- en pensioenpremies niet altijd aftrekbaar

Naast rentebetalingen lenen ook lijfrente- en pensioenpremies en dergelijke zich er goed voor om het belastbaar inkomen terug te schroeven. Het systeem daarbij is dat de premie nu aftrekbaar is en dat de latere uitkering op het moment van uitbetaling wordt belast. Feitelijk willen Zalm/Vermeend dat systeem verlaten. Ze signaleren namelijk een lek bij emigratie van pensioengerechtigden.

In veel gevallen loopt de Nederlandse fiscus dan de uiteindelijke belastingopbrengst mis, terwijl de betrokkene indertijd wel van de belastingaftrek heeft geprofiteerd. De ondernemersorganisatie VNO/NCW heeft het kabinet onlangs nog gewaarschuwd voor het over enkele jaren op gang komen van een emigratiegolf naar zonnige landen die heel wat groter zal zijn dan een soortgelijk verschijnsel in de Verenigde Staten. Daar vestigen talloze gepensioneerden zich in het zonovergoten Florida.

Het kabinet overweegt het lek te dichten door vanaf 2000 de aftrek van dergelijke lijfrente- en pensioenpremies niet toe te staan (en de latere uitkeringen niet te belasten) tenzij de ontvanger daarom verzoekt. Zo'n verzoek wordt alleen voorwaardelijk gehonoreerd. Men krijgt de aftrek onder voorwaarde dat de uitkering hier belast kan worden. Wie emigreert moet zijn belastingvoordeel terugbetalen. Informeel overleg met de Europese autoriteiten in Brussel zou de bewindslieden op Financiën er van hebben overtuigd dat het systeem niet strijdt met de Europese regels. Het kabinet wil op dezelfde manier omspringen met andere aftrekposten die feitelijk op belastinguitstel neerkomen.

Nu er toch aan het pensioensysteem wordt gesleuteld, is het meteen de bedoeling enkele concurrentieverstorende elementen in de fiscale behandeling van banken, pensioenfondsen en verzekeraars te elimineren. In een deze week naar de ministerraad gestuurd wetsvoorstel wordt bovendien een fiscaal pensioensysteem ontwikkeld waarin verscheidene nieuwe pensioenvormen fiscaal worden erkend en minutieus in wetsteksten worden uitgewerkt. Uiteindelijk moet het aanbod aan oudedagsvoorzieningen groter en doorzichtiger worden en moeten hun keuzen niet door fiscale elementen in een bepaalde richting worden beïnvloed.

Ondertussen wordt in de kabinetsplannen zelfs de al voorwaardelijk gemaakte aftrekpost voor lijfrentepremies behoorlijk teruggedrongen. Daarbij gaat men uit van een persoonlijke 'oudedagsparaplu' voor iedereen. In dat concept draait het om het uiteindelijke bedrag dat men voor de oudedagsvoorziening nodig heeft. Is nu al te voorzien dat dit bedrag te laag is, dan mag men het tot een bepaald jaarlijks maximum aftrekbaar ophogen. Maar men is niet verplicht dat te doen via een lijfrente- of pensioenpolis. Het kabinet vindt dat die beperking tekort doet aan ieders individuele vrijheid en verantwoordelijkheid op pensioenterrein. Men zou ook de mogelijkheid moeten hebben via een eigen geblokkeerde spaar- of beleggingsrekening de pensioenopbouw in eigen hand te houden.

Wie lijfrentes heeft die niet nodig zijn voor de oudedagsparaplu, kan geen aanspraak maken op de voorwaardelijke premieaftrek. Bovendien telt de waarde van zijn aanspraak op latere uitkeringen mee voor de vermogensrendementsheffing. Hoewel het nieuwe systeem op veel terreinen vereenvoudigingen brengt, wordt de zaak op pensioengebied flink ingewikkeld. Nog een generatie lang zullen er onbelaste, deels belaste en helemaal belaste uitkeringen naast elkaar bestaan.

Geen beroepskosten

Onder de gewone aftrekposten die sneuvelen bevindt zich ook de aftrek van beroepskosten. Overigens komt slechts twee procent van de mensen uit boven de nu gehanteerde vaste aftrek (het arbeidskostenforfait) waarop alle werkenden aanspraak kunnen maken. Het kabinet wil de band tussen die vaste arbeidsaftrek en de daadwerkelijk gemaakte kosten helemaal doorsnijden. Er komt één arbeidsaftrek die ook de reiskostenaftrek opslokt. De mogelijkheden daarvoor hebben de bewindslieden van Financiën overigens nog niet helemaal uitgewerkt.

Winnaars en verliezers

Als de plannen worden uitgevoerd, zal het fiscale landschap er voor particulieren in de volgende eeuw heel anders uitzien. De oorspronkelijke inkomstenbelasting verliest haar pretentie van een alomvattende rechtvaardige heffing. Zij bestrijkt een veel kleiner terrein en kent op dat beperkte terrein nog maar weinig aftrekposten. Over de hele linie dalen de tarieven, het toptarief nog het minst.

Hoewel de mogelijkheden om de resterende heffing te ontlopen flink zijn beperkt, zullen toch relatief weinig mensen met het toptarief in aanraking komen. Veel inkomsten die nu tegen het hoogste tarief worden afgerekend, vallen straks onder het mildere regime van de nieuwe vermogensrendementsheffing. Hoewel het systeem voor vermogenden de grootste kansen en bedreigingen inhoudt, gaat de politieke aandacht niet naar hen uit. Er is zelfs geen smeergeld gereserveerd om de operatie voor hen makkelijker te maken. Dat is wel in ruime mate voor de lagere inkomens. De meeste politieke aandacht gaat uit naar de situatie op de onderkant van de arbeidsmarkt. Op dat terrein wil minister Melkert (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) nog enkele varianten uitgewerkt zien. Maar het in drie delen laten uiteenvallen van de inkomstenbelasting kan zo te zien rekenen op de instemming van de leidende politici in Den Haag. Het plan bevat voor vrijwel iedere inkomensgroep aantrekkelijke kanten.

Op het niveau van individuele belastingbetalers zullen er wel duidelijke verliezers en winnaars zijn. Wie tot nu toe succesvol wist te manipuleren met de belastingdruk, kan voor problemen komen te staan. Maar ook algemeen aanvaarde besparingsmethoden zoals beleggingen in een groeifonds, in effecten met belastingvrij dividend of in lijfrenten met verlokkende aftrekmogelijkheden verliezen in één klap hun fiscale aantrekkelijkheid. Daar staat tegenover dat de spaarders en beleggers zich niet meer door fiscale overwegingen hoeven te laten leiden bij het afwegen van hun beleggingsmogelijkheden. Het kabinet verwacht dat dit een vermindering van de vastrentende besparingen en lijfrentecontracten zal betekenen en leidt tot een toename van wat risicovollere beleggingen, bijvoorbeeld in effecten of een eigen bedrijf. Dit omdat men bij hoger winsten geen hogere belasting meer hoeft te betalen.

Voor de gewiekste belegger en ondernemer zal de belastingadviessector zonder twijfel nieuwe opzetjes ontwikkelen die gebaseerd zijn op verschuivingen naar het in een specifiek geval meest aantrekkelijke belastingtype. Het kabinet signaleert evenwel dat verreweg de meeste belastingbesparende constructies in het nieuwe systeem niet meer opgaan terwijl manipulaties waarbij vermogen buiten de greep van de Nederlandse fiscus in het buitenland worden ondergebracht veel van hun aantrekkelijkheid verliezen. De bescheiden vlaktaks voor vermogens is namelijk aanzienlijk minder afschrikwekkend dan het nu bestaande progressieve regime.

Ondanks die milde benadering van vermogenden gaat het kabinet er vanuit dat de rijkeren in de samenleving per saldo 1,25 miljard gulden meer aan belasting gaan betalen. Hier zit het paradoxale maar tegelijk ook het slimme van het voorgestelde systeem. Economisch gezien wordt de belastingdruk evenwichtiger over de bevolking verdeeld maar dat resultaat wordt bereikt door over te stappen op een stelsel dat er door het loslaten van het draagkrachtbeginsel op papier veel minder rechtvaardig uitziet.