Heruitgave van Mein Kampf is geen zaak voor de Nederlandse overheid

In de jaren zeventig is een heruitgave van Hitlers 'Mein Kampf' met een beroep op het auteursrecht in beslag genomen. Volgens Willem Huberts was daar geen grond voor. Het auteursrecht van het boek moet nog bij de erven Kettmann berusten, die waarschijnlijk niet meer tegen heruitgave zijn.

Op 17 september informeerden de Kamerleden Dittrich en De Graaf (D66) bij minister Sorgdrager naar de mogelijkheid Mein Kampf van Adolf Hitler opnieuw uit te geven. Her en der bleken exemplaren van het boek op rommelmarkten en bij antiquariaten op te duiken. Dat is op zichzelf niet verbazingwekkend. In totaal zijn tot aan de bevrijding in mei 1945 zo'n 110.000 exemplaren van de Nederlandse vertaling (Mijn Kamp) verschenen en die zullen niet allemaal op de vreugdevuren van de bevrijding zijn opgestookt. Als zorgwekkend werd echter ervaren dat die boeken in meerderheid door neo-nazi's en andere extreem-rechtse activisten schijnen te worden aangeschaft.

Wie de Kamervragen leest, ziet dat daarin het een en ander door elkaar wordt gehaald. Aan een heruitgave van Mijn Kamp zitten namelijk drie aspecten: een maatschappelijk, een strafrechtelijk en een auteursrechtelijk. In de vragen worden die niet duidelijk onderscheiden. Het te verwachten gevolg is dat ook de minister in haar antwoord niet meer helder kan zijn.

Het maatschappelijk aspect van een eventuele heruitgave betreft de vraag of het wenselijk is dat Hitlers 'bruine bijbel' vrij beschikbaar is. In feite gaat het om de vraag of de overheid gedachtengoed moet censureren. In deze krant betoogde Jean Pluis op 30 september dat op de heruitgave van Mijn Kamp de vrijheid van meningsuiting van toepassing zou moeten zijn en daar ben ik het mee eens. Kunnen kwalijke denkbeelden worden opgeruimd door ze te verbieden? Het “natuurlijke spanningsveld tussen meningsvrijheid en discriminatieverbod” zoals Pluis dat noemt, moet keer op keer en van geval tot geval, worden afgetast en afgewogen. Maar de opmerking van Gerard Groeneveld in deze krant van 16 oktober, weegt daarbij zwaar: “Wanneer Mein Kampf op de lijst van verboden boeken blijft prijken, zal de aantrekkingskracht en geheimzinnigheid ervan slechts toenemen.”

Daarnaast kan men zich natuurlijk afvragen of de heruitgave van Mein Kampf zal leiden tot een positieve herwaardering van het nationaal-socialisme. Die angst lijkt mij ongegrond.

Vervolgens het strafrechtelijk aspect. De Kamervragen van Dittrich en De Graaf beperken zich schijnbaar uitsluitend tot dit aspect. In hun tekst is sprake van artikel 137e van het Wetboek van Strafrecht waarmee de wetgever beoogt een einde te maken aan het in omloop brengen van kwetsende of haatzaaiende voorwerpen.

Maar wellicht zonder dit te willen, raken Dittrich en De Graaf in hun vragen ook aan het derde aspect, het auteursrechtelijke. Zo vragen zij de minister of het “wenselijk” is een wetenschappelijke uitgave van Mein Kampf het licht te laten zien. De minister antwoordt daarop met te zeggen dat het uitgeven van Hitlers Mein Kampf niet “strafbaar” is, mits de uitgever zich in een voorwoord distantieert van de inhoud en motiveert waarom hij het boek heeft uitgegeven.

Nu is het volgens mij helemaal niet zo duidelijk dat de Nederlandse overheid het recht heeft om een dergelijke uitgave te verbieden. En los daarvan, het lijkt me onzinnig om een heruitgave van Mein Kampf te verantwoorden met een obligaat beroep op de 'wetenschappelijkheid' van een geannoteerde editie. Diezelfde argumentatie zorgde er de afgelopen decennia voor dat iedereen die onderzoek deed naar Nederland en het nationaal-socialisme in de Tweede Wereldoorlog, bij voortduring in al zijn publicaties plichtmatig duidelijkheid diende te verschaffen naar zijn motieven om met een dergelijk onderwerp bezig te zijn. Zo herinner ik mij dat ik, toen ik mij nog volop met de Nederlandse nationaal-socialistische letterkunde bezighield, regelmatig werd lastig gevallen met de insinuerende vraag of ik soms enige innerlijke betrokkenheid bij mijn studie-onderwerp voelde. Mij dunkt dat sinds de 'goed/fout'-discussie in de jaren tachtig het verontschuldigend gebruik van het etiket 'wetenschappelijk' niet meer nodig zou hoeven zijn.

Waaruit zou die 'wetenschappelijkheid' van een heruitgave van Mein Kampf overigens moeten bestaan? Een professorale inleiding, uitgebreide verantwoording en veel verklarende voetnoten? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het beroep op de wetenschappelijkheid van een heruitgave een afleidingsmanoeuvre van de minister en de Kamerleden is, om geen besluit te hoeven nemen over een 'reguliere' heruitgave. Ik zou dan ook graag van de minister horen welk soort wetenschappelijk-verantwoorde uitgave niet vervolgd wordt: een volledig geannoteerde en ingeleide editie, een editie met voetnoten of een editie waarin de uitgever in een inleidend woord van enkele regels afstand neemt van de tekst.

Maar hoe zit het dan met het auteursrechtelijke aspect. Toen de Nederlandse overheid in 1974 meende een heruitgave te kunnen verbieden deed ze dit op basis van auteursrechtelijke argumenten. Uitgeverij Ridderhof uit Ridderkerk had een Nederlandse vertaling van Mein Kampf uitgegeven, waarvoor de tekst van de in 1939 verschenen uitgave was gebruikt. De Nederlandse overheid trad daartegen op omdat de uitgever had verzuimd toestemming te vragen aan de auteursrechthebbende, te weten de Staat der Nederlanden. De Nederlandse overheid was blijkbaar van mening het auteursrecht te bezitten van de Nederlandse vertaling. Het restant van Mijn Kamp (800 exemplaren) van de oplage (totaal 3.000) werd in beslag genomen en er werd een vervolging ingezet tegen de beide firmanten van de uitgeverij die uiteindelijk uitliep op een veroordeling.

Om te begrijpen hoe de overheid en de toenmalige rechter tot hun mening over de rechten op het boek kwam, moeten we even terug naar het verleden. In 1938 verkreeg de fervent nationaal-socialistisch uitgever, journalist en letterkundige George Kettmann toestemming van de Duitse uitgeverij 'Zentralverlag der NSDAP Franz Eher' voor het uitgeven van een Nederlandse vertaling van Mein Kampf. Bij mijn weten bevatte die overeenkomst geen afloopdatum. In 1939 verscheen vervolgens Mijn Kamp, in de vertaling van Steven Barends, bij uitgeverij De Amsterdamsche Keurkamer. Eigenaar-directeur van deze uitgeverij was Kettmann. Maar Kettmann was zo'n fervente nationaal-socialist dat hij in 1942 in aanvaring kwam met Mussert, die volgens hem niet nationaal-socialistisch genoeg was. Na deze aanvaring vreesde Kettmann voor zijn leven en vertrok hij als Kriegsberichter naar het Oostfront. Omdat hij daartoe in vreemde krijgsdienst trad, werd hij na de oorlog als vijandig onderdaan beschouwd. Zijn bezittingen vervielen daardoor aan de staat. Omdat het auteursrecht op de Nederlandse vertaling van Mein Kampf bij Kettmanns uitgeverij berustte, verviel, zo dacht men, ook dit aan de staat. Op die grond trad de staat dus op toen in 1974 zonder toestemming van de overheid een heruitgave van Mijn Kamp verscheen.

Het antwoord op de vraag wie het auteursrecht op de Nederlandse vertaling heeft luidt echter anders dan men in 1974 dacht - en in 1997 vermoedelijk nog steeds denkt.

Allereerst nog iets over de Duitse versie van Mein Kampf. Het auteursrecht op de oorspronkelijke Duitse tekst berust bij de deelstaat Beieren, die de rechten na 1945 heeft verkregen toen Hitlers uitgeverij 'Zentralverlag der NSDAP Franz Eher' werd opgeheven. Of de rechten van de tekst toen bij Hitler of bij zijn uitgeverij berustten, is niet relevant. Ook Hitlers vermogen werd na de oorlog door Beieren geconfisqueerd. Bij mijn weten heeft Beieren sinds 1945 nimmer toestemming verleend tot heruitgave van Mein Kampf - noch voor een wetenschappelijk verantwoorde heruitgave, noch voor een 'populaire' editie. Zonder deze toestemming kan de Duitse editie van Mein Kampf dus niet worden heruitgegeven.

Dat ligt anders bij de Nederlandse vertaling. In een brief van 16 november 1943 aan Kettmann doet de vertaler Steven Barends afstand van alle rechten op Mijn Kamp, na een langdurig traject van onenigheid, meningsverschillen en financieel touwtrekken waarover uiteindelijk door het Reichskommissariat in Den Haag werd beslist. Vanaf die dag is uitgeverij De Amsterdamsche Keurkamer de enig rechthebbende op de vertaling.

Zoals hierboven geschetst vervielen Kettmanns bezittingen na 1945 aan de Staat, maar viel daar ook de uitgeverij onder? Allereerst moet worden geconcludeerd dat George Kettmann niet de enige eigenaar van uitgeverij De Amsterdamsche Keurkamer was. De uitgeverij was een vennootschap onder firma. Er was een mede-vennoot en dat was Kettmanns echtgenote, Margot Warnsinck. Mochten Kettmanns bezittingen al aan de staat zijn vervallen, dan zijn die van Margot Warnsinck dat zeker niet.

Daar komt nog iets bij. Het Militair Gezag heeft op 7 augustus 1945 mr. P.G. Vos tot 'bestuurder met bevoegdheid van beheerder' van de uitgeverij benoemd. Dat deze Vos daartoe werd aangezocht was niet verwonderlijk. De uitgeverij verkeerde in de laatste maanden van 1944 in staat van faillissement en Vos was daarbij betrokken als jurist. Dat faillissement werd echter in december 1944 vernietigd. Maar in 1950, wanneer Kettmann in de gevangenis zit, vraagt Margot Warnsinck opnieuw het faillissement van de uitgeverij aan. Er staan op dat moment nog altijd schulden open en het is haar niet mogelijk een gezonde financiële situatie op te bouwen. Uit het handelsregister van de Amsterdamse Kamer van Koophandel blijkt dat de uitgeverij daarop, op 10 februari 1951, in staat van faillissement wordt verklaard, welk faillissement op 17 juli 1952 wordt beëindigd.

Het opmerkelijke is dat in de gehele reeks activiteiten die wordt ingezet met het benoemen van mr. P.G. Vos op 7 augustus 1945 tot bestuurder/beheerder en die eindigt op 17 juli 1952, de Nederlandse staat geen enkele rol speelt. Mocht het zo zijn dat de uitgeverij aan de staat zou zijn vervallen (op basis waarvan in 1974 werd ingegrepen), dan zou niet te begrijpen zijn waarom de Staat in 1951 niet werd verplicht de uitstaande schulden te voldoen.

De uitgeverij, met de vertaalrechten, moet dus al die tijd eigendom zijn gebleven van George Kettmann en Margot Warnsinck samen - tot de beëindiging van het faillissement in 1952. Dat betekent dat alle rechten van Mijn Kamp nu bij de erven Kettmann berusten. Voor zover ik die erven ken, acht ik de kans zeer zeker aanwezig dat zij, de vrijheid van meningsuiting indachtig, zullen instemmen met een heruitgave van Mijn Kamp. De kans dat zij zullen instemmen met een wetenschappelijk verantwoorde uitgave acht ik nog groter. En wat ik daarvan ook vind, wetenschappelijk verantwoord of niet, de beslissing tot heruitgave is aan hen, en aan niemand anders.

Mijn conclusie is dus dat wie nu de Duitse tekst van Mein Kampf wil heruitgeven, toestemming moet vragen aan de regering van de Duitse deelstaat Beieren. De kans op die toestemming acht ik nihil - gezien de opstelling van Beieren tot nu toe. Maar wie de Nederlandse vertaling Mijn Kamp wil heruitgeven heeft alleen toestemming nodig van de erven Kettmann. Verkrijgt hij die toestemming, dan moet hij alleen nog voldoen aan de bepaling uit de oorspronkelijke overeenkomst tussen Kettmann en Hitlers uitgeverij, die zegt dat 10 procent van de bruto winkelprijs komt moet worden betaald aan de NSDAP-uitgeverij. Dat geld zal dus moeten worden overgemaakt aan de Beierse staat.

Voor de Nederlandse staat is bij de heruitgave geen enkele rol weggelegd.