De macht van de kamerdienaar

Niemand is groot voor zijn kamerdienaar, zegt een oude wijsheid die aan zoveel mensen wordt toegeschreven dat niemand nog aanspraak op het auteurschap kan maken. Ik heb nog nooit gehoord dat iemand daarop de voor de hand liggende vraag stelde: wat zijn de maatstaven van de kamerdienaar? Aan het oordeel van dit personeelslid valt misschien wel zijn formaat af te lezen, en zelfs meer. Daarover hieronder.

Onlangs zijn twee boeken over John F. Kennedy verschenen, The Kennedy Tapes, geredigeerd door Ernest R. May en Philip D. Zelikow, en The Dark Side of Camelot van Seymour Hersh. Het eerste bevat de tekst van de gesprekken, gevoerd tussen de Amerikaanse president en zijn naaste politieke medewerkers in de dagen van de Cubaanse rakettencrisis, toen de wereld op de rand van een kernoorlog heeft gewankeld. Het tweede is de schandaalkroniek waarvan de boodschap is dat het nog erger blijkt te zijn dan we hadden gedacht.

Op 11 oktober 1962 was de Amerikaanse regering ervan overtuigd dat de Sovjet-Unie bezig was, atoomraketten op Cuba te plaatsen. Dit, werd onmiddellijk beseft, kon niet worden toegestaan, moest dus tot iedere prijs worden voorkomen. Maar welke prijs was 'iedere prijs'? In de daarop volgende weken werden alle mogelijke acties overwogen, een invasie op Cuba, beperkte aanval met kernwapens, een blokkade van het eiland met als gevolg de aanhouding van Sovjet-schepen, de omvangrijkste aanval en de gevolgen die iedere optie, indien gekozen, zou hebben. Tegelijkertijd werd koortsachtig - dat is het enige woord hier van toepassing - gewerkt aan de politieke en diplomatieke fronten. Tegelijkertijd moest men zich verdiepen in de mogelijke reacties van Moskou op alle gegeven opties. En op de achtergrond was daarbij voortdurend het besef aanwezig dat de slechtste mogelijkheid niet alleen meer denkbaar was, maar binnen een paar dagen werkelijkheid zou kunnen zijn. Dat was de optie waarbij de Verenigde Staten zouden worden blootgesteld aan grootschalige kernaanvallen. Dat zou, volgens de berekeningen van optimistische deskundigen, de atomisering van 40 miljoen Amerikanen betekenen, en volgens de pessimisten 180 miljoen. Dit alles had, naar menselijke berekeningen, een heksenketel in de breinen der betrokkenen moeten veroorzaken.

We weten dat het anders is gelopen. Chroesjtsjov heeft nog bijtijds, hoewel niet al te vlug, begrepen dat het beter was zijn raketten terug te trekken. Uit het schaakspel dat daarbij is gevoerd, heeft hij geen geringe winst gehaald: de belofte van Washington dat het Cuba niet zou aanvallen. Over de aanwezigheid van Amerikaanse raketten in Turkije, aan de grens met de Sovjet-Unie, zou nader worden onderhandeld. Daarmee was de crisis voorbij. Het verloop valt nu opnieuw in de gesprekken van de president met zijn adviseurs te volgen: meer dan 700 pagina's, met inleiding en verklaringen. De reconstructie van een werelddrama, met de teksten van degenen die tot de hoofdrolspelers hoorden.

Wij die geregeerd worden, hoe democratisch ook, kunnen vaak niet ontkomen aan de indruk dat we bij onze gekozen bestuurders wel wat meer verstand, kennis van zaken, zelfbeheersing, enz. willen zien. In dit geval besef je met respect dat ze toen in Washington niet de kluts zijn kwijtgeraakt, maar hebben gekozen voor de verstandigste optie. Dat weten wij nu - dat was toen niet de overtuiging van allen die tot het besluit hebben bijgedragen, niet van de 'internationale gemeenschap' die toen nog niet zo werd genoemd, en evenmin van 'het publiek'. Kennedy heeft het besluit genomen. Hij draagt er de laatste verantwoordelijkheid voor. Dat is het historische feit.

Wat deed de president als hij geen wereldcrisis had op te lossen? Dat lezen we in het boek van Seymour Hersh: seks, seks en nog eens seks, als hij geen geld incasseerde van de mafia. Hersh is een talentvolle schrijver en een onvermoeibare onderzoeker met grote reputatie. Voor dit boek heeft hij nagenoeg alle kamerdienaren en dienaressen van de president geraadpleegd en ook nog 16 geluidsbanden waarop Kennedy zelf aan het woord is. Dat alles verandert de strekking niet.

Daarin ligt het verschil tussen dit boek en dat over de Cubaanse rakettencrisis. Beide gaan over J.F. Kennedy. In de reconstructie van oktober 1962 ontwikkelt zich voor de lezer een adembenemend historisch drama waarin de ene handeling de volgende uitlokt. Bij Hersch wordt het pas interessant als (zoals Edmund Wilson eens over een andere bestseller heeft geschreven, Forever Amber van Kathleen Windsor), het drama in één en dezelfde handeling tot stilstand komt. De uitgever heeft voor de eerste druk 350.000 exemplaren gemaakt; het televisienetwerk ABC begint in december met een documentaire serie, gebaseerd op het boek. Historici, heeft de New York Times opgemerkt, zullen er niet veel van hun gading in vinden. Tja, zei Hersh, maar wie wil er nou voor historici schrijven! Hersh niet. Hij is de vertegenwoordiger van de honderdduizenden die graag kamerheer bij Kennedy hadden willen zijn; hij is een opperkamerheer van de geschiedenis.

Opnieuw staan ons onthullingen te wachten. Er is een boek op komst met teksten van president Nixon, afkomstig van geluidsbanden die niet zolang geleden uit de archieven zijn opgediept. Van wat erover bekend is geworden ziet men het beeld van de kat in het nauw die zich in steeds vreemder sprongen naar de zelfvernietiging beweegt; de laatste fase nader toegelicht. En op 24 mei 1998 begint het proces van Paula Jones tegen Bill Clinton, over de ongewenste intimiteiten waarmee de president toen hij nog geen president was, haar zou hebben verrast. De nieuwe relazen over Nixon horen tot de dramatische geschiedenis; het proces Jones tegen Clinton is een feestmaal voor kamerdienaren.

De kamerdienaren zijn onze moralisten; in de massamediabeschaving meer dan ooit. Ze houden het schervengericht over hun broodheer, ze leven van zijn particuliere strapatsen of wat daarvoor bij een kamerheer doorgaat, en al doende proberen ze hem te onthoofden. Je zou kunnen zeggen dat het de nieuwste versie van de oudste revolutie is.