Beeke kiest posters voor de museumzaal

Tentoonstelling: Dutch Posters 1960-1996; A Selection by Anthon Beeke. In: Centrum voor Beeldende Kunst De Beyerd, Boschstraat 22, Breda. T/m 30 nov, di-vr 10-17u. Boek: ƒ 95,- Inl. (076) 522 50 25.

In elk museum hoort bij de ingang een flink stuk wand bestemd te zijn voor actuele tentoonstellingsaffiches: een levendige collage van elkaar overlappende aanplakbiljetten van evenementen en exposities. Jammer genoeg heeft een museum als het Stedelijk in Amsterdam, dat zelf nota bene affiches collectioneert en conserveert - en in voormalig directeur Sandberg een grafisch vormgever van formaat in huis had - er kennelijk geen trek meer in.

In de hal van De Beyerd in Breda, waar nu in een paar zalen een door Anthon Beeke samengestelde keuze Nederlandse posters uit de periode 1960-1996 is te zien, hangen ze gelukkig nog wel. Van een voetenbadende vrouw van Pisarro, voor een tentoonstelling in Laren, tot een man met zwart hoedje van Henk Visch, voor een in Heerlen.

De ontwikkeling van 1960 tot nu, zo resumeert het ruim 200 pagina's dikke boekwerk dat de tentoonstelling begeleidt, is er een geweest van 'intelligent illustratief en zakelijk functioneel naar emotioneel, geëngageerd en provocerend om uiteen te spatten in een enorme pluriformiteit van beelden en vormtalen.'

De laatste bladzijden in het chronologisch ingedeelde boek naar een ontwerp van Anthon Beeke en Ko Sliggers bevestigen deze constatering. De affiches ontworpen door Gijsbert Dijker en Sandra Neerincx voor de seizoensaankondigingen 1994/'95 en 1995/'96 van het Nederlands Dans Theater lijken in hun eenvoud en ingetogenheid op affiches uit de jaren vijftig. Tegen een gedempte éénkleurige achtergrond tekent zich een dansende figuur af in combinatie met een schreefloze letter.

Hun ontwerp is volkomen tegengesteld aan bijvoorbeeld het affiche van Beeke voor de KunstRai met de wit geschminkte kop met gele ogen, rode neus en blauwe mond van Benno Premsela, die kort voor de opening overleed. Ook de even heldere als absurde posters van Erwin Olaf of de affiches van de wat typografie betreft speelse Max Kisman en van de post-moderne Swip Stolk illustreren de diversiteit van vandaag. Natuurlijk is het wel zo dat ieder willekeurig tijdperk, dat nog niet van enige afstand kan worden bekeken, een grote diversiteit te zien geeft.

Het is aardig om in het boek terug te bladeren naar het eerste affiche van Beeke (1968, voor het Mammoet festival, De Bijenkorf). Terwijl in die jaren Wim Crouwel ook al Wim Crouwel was met sobere ontwerpen die soms iets van een overlijdensbericht hadden compleet met zwarte rand (zie ontwerp Kupka tentoonstelling in SM, 1968), wekt Beeke de indruk dat hij net terug is uit swingend Londen.

Hij is duidelijk in de ban van Peter Blake met zijn typische kermis/flipperkast-stijl met veel roze, sterren en pijlen. In 1979 zien we de eerste tekenen van de uitdagende Beeke zoals we hem nu kennen. Nog in sobere stijl, maar wel met twee tongzoeners - voor Globe; Georg Büchners Leonce en Lena. Zijn echte klapper komt drie jaar later met het achterwerk van een vrouw opgetuigd als paard - Globe; Shakespeare's Troilus en Cressida.

De tentoonstelling laat zien dat zelfs in tamelijk recente posters nog altijd invloeden van Piet Zwart, El Lissitzky en Kloetsjis uit de vooroorlogse, revolutionaire, jaren zichtbaar zijn. Dat blijkt uit diagonaal geplaatste tekst, het anti-decoratieve, het scheiden van kapitaal en onderkast, de schreefloze letter en de primaire kleur.

Vreemd is dat een ontwerper als Piet Schreuders ontbreekt. Maar het gevaar van een dergelijke omissie loop je misschien, als je de postergeschiedenis laat samenstellen door iemand die zelf volop in het vak zit. De anti-estheet Schreuders die veel voor de VPRO ontwierp (poster 'We zijn weer thuis' - Wim T. Schippers) is misschien meer nog dan Beeke de vertegenwoordiger van het anti-functionalisme, een vijand van Crouwel dus.

Helemaal lekker op zijn plaats hangt een poster in een museumzaal niet. Een reden om extra aandacht te trekken is er niet. Er ontbreekt drukte en afleiding, of er moet toevallig een flinke groep luidruchtige scholieren doorheen banjeren.

    • Mark Peeters