Zwierig vioolspel en kruidige zang in Rotterdam

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Jurjen Hempel m.m.v. Isabelle van Keulen, viool, en Anna Maria Dür, sopraan. Werken van De Leeuw, Ligeti, Lutoslawski en Debussy.

Gehoord: 7/11 De Doelen, Rotterdam.

Edgards Varèse had een droom. Hij droomde van een muziek waarin de klankkleur niet meer toevallig anekdotisch, zinnelijk of pittoresk zou zijn, maar een integraal bestanddeel zou vormen. Werd zijn visioen verwerkelijkt? Men zou het kunnen denken, gehoord de kleurige klankwolken op het perfect voorbereide openingsconcert van de in ere herstelde serie Z bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. In de serie is Ton de Leeuw vertegenwoordigd met zes, György Ligeti met vijf, en Witold Lutoslawski met vier composities. Het talrijk opgekomen publiek reageerde aanvankelijk wat onwennig, maar met het vioolconcert van Lutoslawski sloeg de vonk definitief over.

Ook Debussy had zo zijn dromen. Hij droomde van een orkestopstelling met de strijkers in een kring om de overige instrumenten, met alleen de fagotten tussen de celli en klarinetten en hobo's tussen de violen, 'opdat hun inzetten niet zouden klinken alsof er een pakje op de grond valt.' Toch voldeed de Franse klanktovenaar strikt genomen niet aan Varèse's eis, althans niet in Debussy's tot slot uitgevoerde Iberia uit de Images pour orchestre.

Ook de Leeuws Symphonies for Windinstruments en Ligeti's Atmosphères hebben een buitenmuzikale lading die de klank bepaalt. De Leeuw baseerde zich op Strawinsky's gelijknamige compositie in de vorm van een muzikaal grafschrift voor Debussy, en Ligeti's schreeuw was een muzikale tombe voor zijn tragisch opgekomen collega Mátyás Seiber.

Pas in Lutoslawski's Chain II als dialoog voor viool en orkest uit 1984-1985 werd Varèse zijn wenken bediend. Hier dienen de kleuren een louter muzikaal spel van aantrekken en afstoten. Uitgangspunt is de opbouw in onafhankelijke lagen die door begin en eindstructuren 'geketend' zijn. Vier delen wisselen elkaar beurtelings af in Ad libitum- en Abattuta-bewegingen, in zowel soepele a-metrische passages als in een karikaturaal harkerige driekwartsmaat. Lutoslawski hield ervan om te werken met tegenstellingen als speels-streng, heterogeen-homogeen, mobiel-stabiel.

Opmerkelijk is de vioolpartij als één lange zangerige melodie in Bartók-stijl, door Isabelle van Keulen zigeunerachtig zwierig als een glinsterend lint om het orkest heen gesponnen. Ook het orkest musiceerde op het scherp van de snede.

Niet minder boeiend vond ik de visie op De Leeuws Shakespeare-songs uit 1995 gecomponeerd met de dood voor ogen en twee weken na De Leeuws overlijden in première gebracht door Rosemary Hardy met het Ensemble InterContemporain in het Amsterdamse Concertgebouw. Hardy's stem versmolt met het ensemble, die van Anna Maria Dür is kruidiger en scherper. Ook de herinnering aan de verzadigde akoestiek van het Concertgebouw droeg ertoe bij dat nu in de helderder akoestiek van De Doelen De Leeuws onderhuidse passie minder geresigneerd overkwam.

De scherpe precisering in een door Hempel en de zijnen meer opengewerkte klank verleende De Leeuws onrust bijtende accenten, die gewaagd waren, maar overtuigend. Want uit dit document humain spreekt eerder strijd dan berusting.