Zwerven door Groningen

Een van mijn vrienden kwam met een boekje aanzetten dat ik al veertig jaar geleden had weggedaan; als een postduif kwam het na al die jaren terug: 'Zwerven door Groningen, het land van wierden en heerden', samengesteld door Drs. Fop. I. Brouwer. Uitgave in 1941.

Ach, die tekeningen, het lettertype, die artikelen over de Prehistorie, de Boerenhofsteden in Groningerland, de Molens in Groningerland, een verhaal over veenvorming (hoogveen en laagveen)... Het kon mijn belangstelling niet wekken, destijds.

Maar een mens wordt wijzer. Voor uw schrijver, die op 't ogenblik 'Life as a Geological Force' onder handen heeft, is een verhaal over veenvorming, hoe dan ook, interessanter dan voor een jongen van veertien die zich nog nooit over het leven had verwonderd en dat boekje alleen maar had gekocht omdat hij wilde 'zwerven'. Door Groningen.

Ik herlees na zoveel jaar die treurige fietsroutes: 'Route No 2. Van Groningen den Frieschen straatweg volgen, welke door de wegwijzers met het opschrift 'Leeuwarden' wordt aangegeven. Even buiten de stad kruisen we de spoorlijn van Groningen naar Sauwerd en rijden dan langs het Reitdiep tot aan Y1526, waar de weg naar Leeuwarden naar links afbuigt. Den grooten weg houden tot Y3436...' enzovoort.

Fietsen, in dat kale, onherbergzame land, deed ik om op elke wegwijzer te lezen hoeveel kilometer ik al gefietst had en hoeveel er nog zouden volgen. Het enige waar ik oog voor had.

Twee jeugdherbergen had het Groningen van 1941, één in de stad en één in Ter Apel, en ik lees: 'Als we nagaan hoeveel trekkers deze jeugdherbergen en dus dit Groningerland hebben bezocht, dan stemt dit geenszins tot tevredenheid. Hoe dat komt? Groningen is niet erg gezocht door de trekkers. Of moeten we zeggen nóg niet erg gezocht? Want er is een stijgende lijn waar te nemen.'

Vervolgens wordt de provincie aangeprezen, middels een mager lijstje van bezienswaardigheden dat, uitgeput, besluit met de woorden 'De rij is schier eindeloos.' Wat een machteloze taal...

Maar dan, hé, zie ik tot mijn verrassing het gedicht 'Boer', van de Groninger dichter Jan Boer - waarvan ik menige regel door de jaren heen in me heb meegedragen, me wel 's afvragend waar ik het gedicht ooit las. Blij elkaar hier aan te treffen en ik citeer voor u met warmte:

As boer zoo op zien stukken stait

Mit doemen hoog ien 't vest

Den roeskert het deur 't roege rait:

'Dit het aal woater west'...

En as e noar zien koren kikt

Dat willeg wölft ien wiend

Dat braid hom bie de borst opstrikt

Den denkt e 'nou 's 't aal mient'.

En as e noar zien volkje zigt

Dat hauwt ien 't hoaver om

Dat zwit en schript ien 't zwoule licht

Den - aarbaidt dat veur hóm.

Sums wordt hom 't wel ais mooi tou en

Den stapt e stil noar diek

En kuurt e zoo deur oogen hen

En schoedelt hom - zoo riek.

'Kuren' is turen langs een rechte lijn, liefst met één oog dicht en 'hom schoedeln' is zich schurken. Maar schoedeln is oneindig veel expressiever dan het Nederlandse woord, als je wilt zeggen wat je voelt wanneer je je schoedelt.

Gek dat ik van dat boekje eigenlijk alleen maar het gedicht heb onthouden. Niets namelijk in die veertienjarige fietser dat wees op enige belangstelling voor literatuur. Hij wilde zendeling worden.