Twee halen, drie betalen

Telkens wanneer Feyenoord een hoofdtrainer ontslaat en een nieuwe benoemt moeten ze in het stadion in Rotterdam-zuid ijlings containers aanslepen om de tienduizenden tactische tips van de voetbalkenners te verwerken. Feyenoord telt een vaste kern van twintigduizend aanhangers die voor het overgrote deel uit kenners bestaat en van die kenners gaan de meesten door voor voetbalprofessoren. Die massale deskundigheid veroorzaakt zeven dagen van de week een medeleven dat grotendeels op het hoofd van de trainer neerkomt. Daar is geen kruid tegen gewassen, doordat het leven van de club wordt beheerst door wetten en factoren die nergens anders gelden.

Dat is zowel een gevolg van de zelfverkozen natuur van club-van-het-volk als van de organisatiestructuur. De aanhang bepaalt hoe Feyenoord speelt, zo heeft de voorzitter onlangs op de televisie verklaard. Leo Beenhakker lijkt me mans genoeg om uit te maken of hij Feyenoord er met een tweemansvoorhoede en een viermansmiddenveld dan wel met een viermansvoorhoede en twee buitenspelers weer bovenop kan helpen - als het alleen daaraan zou liggen. Maar volgens het nieuwste devies van de club is de trainer gehouden naar de stem des volks te luisteren. Voorzitter Jorien van den Herik heeft daarmee de directe democratie ingevoerd en het beginsel van de volkssoevereiniteit van de staatkunde naar het voetbalveld overgebracht. De club is dus niet langer in overdrachtelijke zin bezit van het volk, maar ook feitelijk.

In de tweede plaats komt al die druk van buiten op de trainer te rusten, doordat Feyenoord geen club is in de traditionele zin van het woord (en in termen van verenigingsrecht), maar een bedrijf. De oude verenigingsdemocratie is afgeschaft en vervangen door een oligarchie, die bestaat uit Van den Herik & Co, waarvan de Co in de praktijk niet of nauwelijks meetelt. Ongenoegens over de prestaties van de club kunnen in zo'n bestel niet meer in een verenigingsstructuur worden gekanaliseerd, maar worden rechtstreeks aan de trainer geadresseerd. In beginsel wordt PSV op dezelfde bedrijfsmatige voet geleid, maar de verantwoordelijkheden zijn in Eindhoven over meer hoofden gespreid dan bij Feyenoord. Ajax is de enige van de grote profclubs die de verenigingsstructuur in stand heeft gehouden en daarvan nooit spijt heeft gehad. Behalve een massale aanhang (tweemaal zoveel jaarkaarthouders als Feyenoord en elke thuiswedstrijd een volle Arena) heeft Ajax een gezonde financiële structuur, een bloeiend verenigingsleven en een vitale interne democratie.

Het enige waarmee Feyenoord zich nu nog met de concurrentie kan meten is het fysieke heiligdom waarin de wedstrijden worden gespeeld. Het stadion is een bezit dat uit een oogpunt van bouwstijl en atmosfeer de Ajax Arena in kwaliteit overtreft, maar dat is een schrale troost als Feyenoord naar de eerste divisie afzakt en tegen tegenstanders als Helmond Sport en Telstar moet spelen.

Hoe het Feyenoord in die lagere voetbalregionen zal vergaan, kan een kind voorspellen. Nog verder bergafwaarts, daar lijkt mij geen ontkomen aan. Het zal mij benieuwen of de horeca-voorzieningen in het stadion ook in die minder florissante omstandigheden hun tegenwoordige niveau kunnen handhaven. Vorige week woensdag at ik vóór het begin van de wedstrijd Feyenoord-Manchester United met een vriend in een van de restaurants van het stadion. Sinds de renovatie is het Feyenoord-stadion een aantal eetgelegenheden rijk, waarvan de Brasserie naar mijn mening de aardigste is, omdat het er Rotterdams-ongedwongen toegaat en de sfeer die van een klassieke voetbalkantine benadert. Eten voor een wedstrijd verzoent een aanhanger van Feyenoord op die momenten nog enigszins met het leven, want de wedstrijd die hem te wachten staat is al jaren niet meer om aan te zien en eindigt steevast met een nederlaag. Feyenoord liet zich der gewoonte getrouw door de Engelsen van het veld spelen, maar het diner-vooraf was ditmaal toch niet het feest der verzoening dat het bij andere gelegenheden, ook bij nederlagen, pleegt te zijn. Dat lag voor een belangrijk deel aan de rekening van ƒ 238.-, die mij na afloop werd gepresenteerd. Dat leek, gegeven het sobere menu dat we hadden uitgekozen (het enige menu dat op de kaart stond!), ietwat aan de hoge kant. Het bedrag was gespecificeerd overeenkomstig de drie gangen van het menu en de bedragen waren goed opgeteld. Toch moest het eindbedrag op een fout van de elektronische kassa berusten of anders had de ober zich vergist en mij een rekening van een andere tafel gegeven. Het bleek de kassa te zijn, die onze tafel van twee voor drie personen had aangeslagen. De ober verontschuldigde zich (“dat kan natuurlijk niet”) en begaf zich naar achteren om een nieuwe rekening te halen. Maar de rekening die hij terugbracht was dezelfde. “Ik weet hoe het komt”, zei hij met een monter gezicht. “Uw tafel is voor drie diners gereserveerd, dus u moet ook voor drie betalen.”

Er was inderdaad een tafel voor drie besteld, maar Der Dritte im Bunde had het niet gehaald doordat hij met zijn auto op weg naar Rotterdam in de file was blijven steken. Voor mijn kwalificatie dat hier van roofriddereconomie sprake was, die de clubtrouw aan Feyenoord wel heel zwaar op de proef stelde, was de ober (jong en perfect geprogrammeerd) niet in het minst gevoelig. Hij had zich intussen in de regels van het huis verdiept en wilde die nog wel een keer uitleggen. “Als u alleen was gekomen, had u toch voor drie moeten betalen als u tenminste voor drie personen had gereserveerd.” Beroofd van mijn tegenwoordigheid van geest (ik had ten minste moeten eisen dat ook het derde diner op tafel was gebracht) en in mijn haast om niets van de wedstrijd te missen, betaalde ik de aanslag - een moderne variant van de oude leuze “Een halen, twee betalen.”