The four seasons

The four seasons (Alan Alda, VS, 1981) BBC1, 1.00-2.35u.

Dat de film The four seasons me in het geheugen is gegrift, heeft een rare reden. Het was namelijk toen, in het najaar van 1981 in de tweede zaal van Tuschinski in Amsterdam, dat ik voor het eerst kennis maakte met de invloed van de televisie op het gedrag van de bioscoopbezoeker. In mijn herinnering was het een doorsnee-publiek dat naar het regiedebuut van Alan Alda kwam kijken - niet extreem jong, maar ook niet uitsluitend bestaande uit het type veertigers waaraan de film was gewijd. We zaten, kortom, in een zaal waarin zo'n beetje alle leeftijden waren vertegenwoordigd. En zodra de openingstitels voorbij waren, begon om me heen het geklets.

Maar er werd niet gekletst omdat de mensen zich verveelden. Integendeel. Ze kletsten omdat ze volop zaten mee te leven. “Kijk, nou doet-ie z'n jas uit, o nee, toch niet, hij houdt z'n jas aan, 't is zeker koud...” - zo ongeveer. Het was het soort geklets dat in veel huiskamers gepaard gaat aan het kijken naar de televisie, en dat nu ook doordrong tot de bioscoopzaal. De kletsers vergaten dat ze zich nu in een groter gezelschap bevonden; ze vertoonden gewoon hetzelfde gedrag waaraan ze thuis gewend waren.

Dat hinderde vooral, omdat The four seasons een subtiele praatfilm is. Alda, destijds vooral bekend als de chirurg Hawkeye uit Mash en nu één van de favoriete acteurs van Woody Allen, schreef en regisseerde een paar plakjes uit de levens van drie echtparen - redelijk tot goed geslaagd, de kinderen groot genoeg om zonder oppas te kunnen - die vier keer per jaar een zorgeloos bedoeld weekend met elkaar doorbrengen. Zelf speelt hij bovendien, naast collega's als Carol Burnett, Jack Weston en Len Cariou, één van de zes hoofdrollen.

Mooi uitgebalanceerde karakters zijn het, die in uit-het-leven-gegrepen dialogen hun oppervlakkige uitgelatenheid verstoord zien door groeiende spanningen, vooral als de verzekeringsman uit hun midden zijn vrouw verlaat en een nieuwe (veel jongere) gade introduceert. Dat is ook voor de anderen het signaal hun obsessies en angsten de ruimte te geven. Maar gelukkig geeft Alda's script aan hun therapie-jargon regelmatig een geraffineerd geestige draai: “Waarom denkt iedereen dat ik paranoïde ben? Praten jullie daar achter mijn rug over?” Een film om niet doorheen te praten, dus.

    • Henk van Gelder