Risico's nevenactiviteiten van energiebedrijven beperkt

ROTTERDAM, 11 NOV. De kans dat kleinverbruikers van energie opdraaien voor financiële risico's die regionale energiebedrijven nemen bij activiteiten die niet tot hun kerntaak horen, zoals milieuzorg en telecommunicatie, is vrij gering. Maar er zijn wel degelijk risico's.

Dat concludeert Andersen Consulting in een studie die op verzoek van minister Wijers (Economische Zaken) is uitgevoerd. De minister heeft de branche gevraagd de regels om risico's te beperken aan te scherpen.

Andersen heeft de acht grootste energiebedrijven in Nederland doorgelicht op de risico's van investeringen in nieuwe activiteiten. Morgen wordt het rapport door de Vaste commissie voor Economische Zaken van de Tweede Kamer besproken.

Eind 1996 zegde de minister in een debat met de Eerste Kamer een onafhankelijk onderzoek toe omdat het parlement ongerust bleek over de toenemende activiteit van energiebedrijven in 'branchevreemde' sectoren. De energiedistributeurs nemen daarbij financiële risico's, waarvan parlementariërs de vrees uitten dat die via de energierekening op de kleinverbruikers zouden worden afgewenteld. Voorbeelden daarvan zijn investeringen in buitenlandse projecten, kabel- en andere telecommunicatiediensten, afvalverwerking, milieuzorg en compleet branche-vreemde activiteiten. Het Gelderse energiebedrijf NUON heeft bijvoorbeeld geld gestoken in het Arnhemse stadion Gelredome en de mislukte tv-zender Sport7.

Andersen Consulting noemt de risico's dat hiermee gepaard gaande lasten worden afgewenteld op kleinverbruikers niet groot. De nieuwe activiteiten beslaan slechts een bescheiden - maar wel duidelijk groeiend - deel van de omzet (in 1995 landelijk 4,4 procent). Bovendien nemen de energiebedrijven preventieve maatregelen. Zo zijn niet-energie gerelateerde activiteiten meestal ondergebracht in aparte dochterbedrijven.

Tegelijk gelden echter garantiestellingen, constateren de onderzoekers, die deze scheiding doorkruisen. De garanties heffen een deel van de beperkte aansprakelijkheid door de juridische scheiding weer op. Daardoor is het moederbedrijf uiteindelijk toch aansprakelijk voor financiële debacles.

Andersen signaleert in zijn studie ook het bestaan van “ongewenste situaties” bij het “doorlenen” van goedkoop vreemd vermogen aan de afgescheiden dochterbedrijven. Het rapport noemt dit “indirecte kruissubsidiëring”: het gaat om vermogen dat door de moeder tegen een lagere rente is aangetrokken dan voor de dochter zou gelden als deze tegen marktrente moet lenen.

De onderzoekers wijzen in hun rapport verder op het sterk cyclische karakter van sommige niet-energie gerelateerde activiteiten en op het feit dat de rentelasten bij inzet van veel vreemd vermogen hoog kunnen uitvallen.

Andersen Consulting adviseert de energiebedrijven verbeteringen in hun organisatorische opzet aanbrengen om de risico's te verminderen en een betere voorlichting over niet-energie activiteiten te geven aan de kleinverbruikers.