In of uit de put?

In de gouden jaren vijftig en zestig ging bijna iedereen er sterk op vooruit en werden de inkomensverschillen kleiner. De eerste oliecrisis (1973-1974) was een keerpunt. De afgelopen twintig jaar groeiden de inkomens dooreen genomen veel minder snel en nam de inkomensongelijkheid weer toe. Dat was niet alleen in Nederland het geval, maar in nagenoeg alle landen met een hoogontwikkelde economie. In de rijke industrielanden leeft inmiddels vijf tot vijftien procent van alle huishoudens in armoede.

Over de achterliggende oorzaken verschillen economen van mening. Het staat onomstotelijk vast dat de verschillen in arbeidbeloning hier en elders groter zijn geworden. Ten eerste, doordat in de meeste landen het minimumloon is achtergebleven bij de gemiddeld verdiende lonen. Anderzijds profiteerde de top van het bedrijfsleven van nieuwe, zeer lucratieve beloningsvormen, zoals aandelenopties.

De lonen van de brede massa van de werknemers groeiden eveneens uit elkaar. Als gevolg van ingrijpende vernieuwingen bij het productieproces is de vraag naar hooggeschoold en goedbetaald personeel toegenomen. Tegelijkertijd komen laaggeschoolden bij het geldende loonkostenpeil moeilijk aan de slag. Sommige economen schrijven het verlies van eenvoudige banen toe aan de doorzettende globalisering, waardoor werknemers in lagelonenlanden banen wegkapen voor de neus van minder geschoolden in het Westen. Vooralsnog ontbreekt overtuigend bewijs voor die stelling. Veel simpele banen in de dienstverlening (transport, schoonmaak, winkels) zijn plaatsgebonden en daarom weinig of niet vatbaar voor internationale concurrentie.

Wie niets verdient, krijgt een uitkering. De inkomstenbelasting drukt zwaarder naarmate het inkomen hoger is (progressie). Het stelsel van uitkeringen en belastingen verkleint dus de verschillen tussen de verdiende inkomens. Waarschijnlijk is de herverdelende werking van het sociale en fiscale stelsel de afgelopen tien jaar uitgehold. Zeker is dit niet. Het kabinet en de Kamerleden staren zich blind op weinigzeggende koopkrachtplaatjes, terwijl een degelijk overzicht van de jaarlijks door overheidsingrijpen teweeggebrachte inkomensherverdeling pijnlijkt ontbreekt.

Dat het huidige stelsel de inkomens minder herverdeelt dan een aantal jaren geleden het geval was, valt echter aannemelijk te maken. Aan de ene kant zijn de sociale uitkeringen gekort en achtergebleven bij de lonen. Weliswaar hebben de lage inkomens na 1990 in verhouding het meeste geprofiteerd van extra verhogingen van de belastingvrije voet in de loon- en inkomstenbelasting, maar alleen de meestverdieners profiteerden van de verlaging van het toptarief van 72 tot 60 procent. Het aandeel in de belastingmix van de omzetbelasting (BTW) en milieuheffingen - belastingen die in verhouding het zwaarst op de lagere inkomens drukken - is sinds 1980 fors toegenomen. Ook andere belastingherzieningen van de afgelopen jaren kwamen met name aan hogere inkomens ten goede, zoals ruime vrijstellingen en de komende tariefverlaging bij de vermogensbelasting.

Toenemende inkomensongelijkheid en groeiende armoede baren veel regeringen zorg. Uitbreiding van de werkgelegenheid biedt een deel van de oplossing. Wie een baan vindt gaat er ten opzichte van zijn uitkering vaak in inkomen op vooruit. De overheid probeert op dit moment eenvoudig betaald werk te stimuleren door allerlei loonkostensubsidies. Vaak wordt vergeten dat om die subsidies te financieren de belastingen - en dus de loonkosten - van andere werknemers omhooggaan. Dat kan banen kosten. Wie geen baan vindt, heeft overigens niets aan dit soort subsidiemaatregelen. Daarom is het minstens zo belangrijk dat de overheid de werking van de arbeidsmarkt verbetert door doeltreffender arbeidsbemiddeling en toepassing van strenge sancties voor werkweigeraars.

Via verhoging van de (laagste) uitkeringen wordt het armoedeprobleem het meest direct aangepakt. Groot bezwaar van deze aanpak is dat de toch al hoge belasting- en premiedruk zullen stijgen. Dit kan de economie op den duur schaden, doordat banen verloren gaan en uitkeringsontvangers hun kansen op de arbeidsmarkt zien slinken. Natuurlijk kan de overheid extra geld voor de uitkeringen vrijmaken door op andere uitgaven te bezuinigen. Lezing van de ontwerpverkiezingsprogramma's leert echter dat de grote politieke partijen de uitgaven voor onderwijs, zorg en zo meer in de komende jaren juist willen opvoeren.

Resteert de mogelijkheid dat de overheid het voor de uitkeringen beschikbare geld sterker richt op de armste huishoudens. In veel industrielanden ontvangen de 30 procent rijkste huishoudens op dit moment liefst 15 tot 25 procent van de uitkeringen. Nederland neemt hier een middenpositie in. Het gaat bijvoorbeeld om tweeverdieners, van wie er één een WW- of WAO-uitkering ontvangt. Zouden zulke sociale uitkeringen voor een deel worden gekort wanneer een huishouden nog andere inkomsten geniet, dan komen ettelijke miljarden beschikbaar om de armste huishoudens uit de put te helpen.

Een veelgehoord tegenargument is dat de hogere inkomensgroepen in dit geval hun steun aan de verzorgingsstaat opzeggen. Voor die vrees bestaat echter geen aanleiding. Bijstandsuitkeringen komen uitsluitend ten goede aan mensen zonder andere inkomsten, maar voor deze regeling bestaat een breed draagvlak. Een praktisch nadeel van inkomensafhankelijke uitkeringen zijn de hogere uitvoeringskosten, omdat de uitkeringsinstantie het inkomen van een huishouden moet bepalen voordat de hoogte van de uitkering kan worden vastgesteld.

Het grootste bezwaar van inkomensafhankelijke regelingen is dat zij geld verdienen en sparen ontmoedigen. Na een salarisverhoging is niet alleen meer belasting en sociale premie verschuldigd, maar gaat ook een deel van de aanspraak op kinderbijslag verloren. Daalt de AOW-uitkering naarmate 65-plussers beter in de slappe was zitten, dan ontmoedigt dit het zelf sparen voor de oude dag. Ondanks dit grote nadeel bestaat in Angelsaksische landen veel sympathie voor inkomensafhankelijke uitkeringen. Zo komt het geld immers terecht bij de mensen die het het hardst nodig hebben. Beleidsmakers in continentaal Europa willen daar niet aan. Het gevolg is dat de armsten dieper in de put raken.

    • Flip de Kam