Bijzondere levens met het nodige zeer

Jan Arends dichtte: Mijn dag verstrijkt in regelmaat van schande. Ik ben een arme man en alle leven doet mij zeer. Daarmee was geen woord te veel gezegd, zoals we weten uit zijn verhalen, gedichten en de interviews met hem. Arends zei trouwens als schrijver nooit een woord te veel.

De NPS zond een korte speelfilm over Arends leven uit: Arends van Jelle Nesna. Het hele hopeloze leven van Arends was erin teruggebracht tot de kern van eenzaamheid en waanzin. Alleen de zelfmoord ontbrak.

Hoewel er in technisch opzicht niets op de film viel af te dingen - mooi gefilmde, krachtige scènes, goed geacteerd, vooral door Jeroen Willems - bleef ik toch met een onbevredigd gevoel achter.

Wat voegt zo'n film toe aan wat we weten of denken over Jan Arends? Degenen die zijn werk kennen, zullen niet voor verrassingen zijn geplaatst. Voor wie hem niet gelezen heeft, moet het een duistere film zijn geweest over een zonderlinge man, die veel op bed lag en voornamelijk een querulanterige indruk maakte in de flash-backs over zijn leven.

In het geval van Arends zou ik liever een uitgebreide documentaire hebben gezien, vooral omdat er betrekkelijk weinig bekend is over zijn leven. Hij geldt als 'ongrijpbaar', maar een speurtocht naar de jeugd en zijn verblijf in de vele psychiatrische inrichtingen zou toch boeiend materiaal moeten kunnen opleveren. En hoe graag zou ik in zo'n documentaire nog eens de beelden terugzien van het interview dat het VPRO-programma Het Gat van Nederland in 1973 met hem maakte.

Een film, zoals Nesna die gemaakt heeft, verliest het onherroepelijk van het werk. Een filmer moet explicieter zijn, neigt eerder naar chargering van de werkelijkheid, terwijl de kracht van Arends' proza juist die bijna primitief aandoende bondigheid is.

Zie het slot van Vrijgezel op kamers waarop de film gebaseerd is: “Ze legden hem op een brancard. Hij werd met riemen vastgebonden zodat hij er niet meer vanaf zou kunnen vallen. Toen zij wegliepen voelde hij zich langzaam en zacht op en neer geschommeld. Ze kwamen buiten. Zijn hoofd werd langzaam heel groot, alsof het van binnenuit werd opgeblazen. Toen de auto begon te rijden viel hij in slaap.”

Daar valt toch niet tegenop te filmen?

Naar eigenzinnige, bijzondere mensen is kennelijk ook Maarten Spanjer op zoek voor een 8-delige serie programma's bij de NCRV die gisteren is begonnen. Sinds zijn verdiende succes met Taxi blijf ik benieuwd naar nieuwe programma's van Spanjer, ook al zijn er daarna enkele teleurstellingen gevolgd.

Zijn nieuwe serie begon veel conventioneler dan Taxi. Spanjer filmde wat dagen uit het leven van het kermisechtpaar Peer en Riet Munsters. Zij trekken met een nogal ouderwetse kermisattractie ('De luchtschommmel') door het land. Het betreft een houten schuitje waarin je steeds hoger van het ene naar het andere eind van de tent zweeft. (“Tot tegen het doek, dat is het leukst”, zei mijn schoonmoeder altijd.)

Het was een kermisechtpaar met een bijzondere achtergrond. Riet - nu vijftig jaar - had een kantoorleven achter de rug. Ze was haar grote liefde ('Peer is de goedheid zelve') gevolgd, omdat zijn leven nu eenmaal ondenkbaar was zonder de luchtschommel. Het bleek een loodzwaar leven. Na drie, vier dagen moet de tent telkens weer worden afgebroken, wat acht uur werk kost.

Hoewel het een handicap voor Spanjer was dat Peer en Riet geen grote praters bleken te zijn, ontstond toch langzaam een sympathiek, ontroerend portret van een dubbele liefde: van twee mensen voor elkaar en voor hun werk.

Er schemerde ook een grote droefheid doorheen over de dingen die voorbijgaan. De luchtschommel trok vrijwel geen bezoekers. Men wil actie, lawaai en kotsen in de achtbaan. Peers leven verstreek niet in schande, maar het deed soms wel behoorlijk zeer.

    • Frits Abrahams