Zuidoost-Azië is volwassen geworden

De Aziaten leren op dit moment wat Europa al in de jaren zestig heeft geleerd. Markten worden niet per decreet bestierd en de geloofwaardigheid van een munt moet worden verdiend. Volgens Jonathan Eyal is in de regio een nieuwe historische fase aangebroken.

Het uiteenvallen van de Thaise regering de afgelopen week wordt in heel Zuidoost-Azië gezien als nog maar de eerste fase in wat wel eens een langdurige politieke crisis met verstrekkende gevolgen zou kunnen worden. Begin dit jaar golden de landen in deze regio nog als de meest dynamische economieën ter wereld, met dubbele groeicijfers en zonder de sociale problemen waarmee Europa kampt. Maar de afgelopen drie maanden hebben Thailand, Maleisië, de Filippijnen, Hongkong en Indonesië de een na de ander hun munt zien kelderen, samen met hun effectenbeurzen en financiële markten. En hoewel Singapore de lichtende uitzondering op de regel is, symboliseert het rookwaas van de brandende Indonesische wouden dat nog altijd over deze stadstaat hangt hoezeer de Zuid-Aziatische naties van elkaar afhankelijk zijn geworden, en hoe bedrukt de stemming in de hele regio is.

Al zal niemand, zeker niet in het streng geregeerde Singapore, het willen toegeven, de realiteit is dat het oude Azië, met straffe hand geleid door paternalistische 'technocratische' regeringen, niet meer bestaat. Voortaan zullen de leiders in de regio niet alleen naar het respect van de financiële markten moeten dingen, maar ook naar de steun van hun bevolking. De goede oude tijden zijn voorbij. Zuid-Aziatische regeringen en hun samenlevingen krijgen te maken met de problemen van ieder ontwikkeld industrieland.

De oude tweedeling in Azië was die tussen democratische regeringen naar westers model, in die zin dat ze de periodieke instemming van de regeerden behoefden (Japan, in toenemende mate Korea, Thailand, Taiwan en de Filippijnen) en regeringen die een strakke politieke controle over hun volkeren uitoefenden in naam van de economische vooruitgang (Maleisië, Singapore, Indonesië en communistisch China). Jaren lang ging het debat over de vraag welk model geschikter is voor economische ontwikkeling.

Niettemin, en ondanks de grote verschillen, verbonden enkele grote thema's alle regiems in de regio. Alle meenden een uniek ontwikkelingsmodel te hebben ontdekt, een 'Aziatische weg' waarin een sociale samenhang op basis van het gezin en gehoorzaamheid aan het regiem samengingen met de afwezigheid van invloedrijke vakbonden, een traditie van hard werken en het ontbreken van kostbare sociale voorzieningen. Bovendien werden ze alle geregeerd door politici die zich lieten adviseren door hooggekwalificeerde technocraten. Zelfs in een land dat nog het meest op een westerse democratie leek, zoals Japan, werd de eigenlijke macht en continuïteit verzekerd door zeer deskundige bureaucraten op de ministeries van Industrie en Financiën, van wie de meesten onbekend bleven bij het grote publiek. Ten slotte waren al deze regiems aangewezen op een stilzwijgend contract met hun volk: de leiders regeerden onbedreigd en het was bekend dat zij profiteerden van ongeoorloofde economische activiteiten waarbij hun families nauw betrokken waren. Maar zolang de bevolking als geheel een gestaag stijgend welvaartspeil genoot, klaagde nauwelijks iemand.

Jarenlang heeft deze tactiek gewerkt. Een groeiende bevolking verschafte een overvloed aan goedkope arbeid en de van een zeer laag peil opklimmende welvaart maakte iedereen tevreden. Bovendien zorgden de regeringen dat ze hun hogere bedrijfskaders de beste buitenlandse opleidingen lieten volgen en hun economieën voor de wereld openstelden. Zuidoost-Azië vermeed de catastrofale fouten die in dezelfde periode door een combinatie van onwetendheid en ideologie in Oost-Europa werden gemaakt.

Maar hoewel dit alles onloochenbaar vruchten heeft afgeworpen, is het nu niet langer vol te houden. Zoals alle economische crises is de huidige onrust in Azië begonnen door een samenloop van fouten. De eerste daarvan was de door de meeste regiems veel te lang volgehouden koppeling van de lokale munten aan de Amerikaanse dollar. Toen de landelijke economieën nog jong waren, hadden ze de geloofwaardigheid nodig die die koppeling verschafte. Maar de gehanteerde wisselkoersen waren niet langer realistisch, vooral omdat de handelsbalans van de meeste landen radicaal veranderde.

Dit ging samen met een reusachtig corruptienetwerk dat het vrijwel onmogelijk maakte uit te maken van wie een onderneming nu eigenlijk was, en hoe gezond de ondernemingen waren. Opnieuw geldt hier dat, zolang in de regio veel geld kon worden verdiend, de westerse beleggers geen been in deze situatie zagen. Een 'geschenk' voor de vrouw van een president of een investering in een onderneming die bindingen had met een premierszoon werd beschouwd als een vanzelfsprekende vorm van zakendoen. Maar zodra investeerders wat beter keken, ontdekten ze banken die technisch failliet waren omdat ze geld leenden aan plaatselijke politici voor het opzetten van enorme commerciële projecten waaraan niemand behoefte had en die nooit winst konden genereren. Inmiddels begon Latijns-Amerika zich snel te ontwikkelen, de Verenigde Staten zelf zaten in de lift, en dus werd het tijd het kapitaal in lucratiever, veiliger objecten te beleggen.

Hoewel de regeringen ter plaatse, ongewend als ze zijn aan economische tegenspoed, zich over de omslag verbaasd toonden, is dat wat de afgelopen vijf maanden in Azië is gebeurd, niet zo uitzonderlijk. Het afgelopen jaar is bij voorbeeld de Duitse mark zo'n 20 procent gedaald ten opzichte van de Amerikaanse dollar en daarna toch weer de helft van dat percentage gestegen, terwijl de Franse franc en het Britse pond, om maar enkele voorbeelden te noemen, nog grotere, parallelle schommelingen hebben vertoond. Ook in veel andere landen zijn de effectenmarkten de afgelopen weken vluchtig geweest.

Er zijn dus goede argumenten om te stellen dat de Zuidoost-Aziaten thans de lessen leren die de leiders in Europa in de jaren zestig en zeventig hebben moeten leren: dat markten niet per decreet kunnen worden bestierd, dat kunstmatige wisselkoersen niet werken en dat de geloofwaardigheid van een munt iets is dat in eigen land moet worden opgebouwd. Een munt behoudt haar waarde omdat de economie van het betrokken land concurrerend blijft, niet omdat een centrale bank het zo besluit.

In dit opzicht is de monetaire crisis die de betrokken landen in Azië thans overspoelt dus eigenlijk een welkom teken van volwassenwording. Maar er ligt een addertje onder het gras: weliswaar zijn de economieën van veel Aziatische landen bijna volwassen, maar dat geldt niet voor de Aziatische leiders, hun volkeren of hun politieke systemen. De eerste reactie van de nationale regeringen was zoals altijd: ontkennen dat er een probleem was. Toen ze de strijd om de onrealistische koers van hun munten te handhaven zoals te verwachten viel verloren, gaven ze vervolgens het westen de schuld van hun tegenspoed. De Maleisische premier Mahathir Mohamad begon ineens te waarschuwen voor “westerse complotten” tegen alle Aziatische naties en zinspeelde zelfs op een “joodse samenzwering” om de Aziatische economieën te vernietigen, onder leiding van de in Amerika gevestigde internationale financier George Soros.

De Maleisische leider weet als geen ander de anti-westerse troef uit te spelen wanneer hij de aandacht moet afleiden van binnenlandse problemen. Maar hoewel deze tactiek meestal nog gewerkt heeft, gebeurde dat dit keer niet. Hoe meer Mahathir over internationale complotten sprak, des te verder zakte zijn munt in. En de Maleisische financiers waren er als eersten bij om hun geld terug te trekken. Uiteindelijk moesten bijna alle landen in de regio financiële assistentie van het Internationale Monetaire Fonds accepteren, en zelfs president Soeharto van Indonesië, die dat het langst had weten uit te stellen, heeft zich vorige week in het onvermijdelijke geschikt.

Einde van een tragisch voorval? Welnee, want al hebben de landen van Zuidoost-Azië de voorwaarden van het IMF aanvaard - het stilleggen van gigantische projecten, het uitbannen van corruptie, verlaging van de begrotingstekorten en andere maatregelen - de regeerders hebben geen idee hoe ze dat soort ingrepen moeten uitvoeren, en ze vrezen, terecht, de consequenties.

Een economie zonder corruptie, zo hebben Japanse, Koreaanse en Taiwanese politici al lang geleden ontdekt, biedt weinig gelegenheid voor het kopen van stemmen via overheidsdeals. Het aftreden van de Thaise premier was deels een reactie op het feit dat een nieuwe grondwet ook in dat land zulke praktijken onmogelijk zou maken. Een concurrerende economie van het soort dat het IMF eist, zal ook tal van belangengroepen schaden. Maar belangrijker is dat een echt gedereguleerde economie een meer gespreide macht betekent. Zou het Indonesische regime blij zijn met een onafhankelijke rechterlijke macht die leden van de regerende familieclan vragen gaat stellen over hun zakelijke activiteiten?

Voorlopig is de Thaise regering nog het enige rechtstreekse slachtoffer van de crisis. Overal elders beweren leiders ofwel dat hun probleem niet zo ernstig is als dat van hun buren, ofwel dat alle nodige maatregelen al zijn getroffen. Maar er treden al groter scheuren aan het daglicht. De Indonesische president Soeharto is erin geslaagd, althans voorlopig, de zaak van zijn jongste zoon Tommy te redden, die betrokken is bij een gigantisch project - een nationaal automerk in samenwerking met Zuid-Koreaanse investeerders. Maar Soeharto heeft niet de bankiersbelangen van zijn familie weten te redden, en het Indonesische volk is onlangs getracteerd op een opmerkelijk spektakel: een openlijke rel tussen de tweede zoon van Soeharto en de regering. Het zorgvuldige etnische evenwicht tussen de diverse nationaliteiten in Indonesië staat op het spel, evenals de stabiliteit van Maleisië en Thailand.

De conclusies zijn bijna onontkoombaar. Alle Aziatische leiders zitten tot op zekere hoogte vast in het verleden: ze zijn gewend aan een stelsel van welwillend paternalisme, gebaseerd op de veronderstelling dat zij weten wat goed is voor het land, en op hun macht om besluiten aan hun bevolking op te leggen. Maar de komende anderhalf jaar zullen enkele van deze leiders een aantal harde economische maatregelen moeten treffen, zoals een reële terugval in de levensstandaard van hun bevolking. Ze zullen de bevolking ervan moeten overtuigen dat de pijn een noodzakelijk kwaad is, maar ook, en in de eerste plaats, dat de pijn eerlijk wordt verdeeld.

Dat vergt kwaliteiten waarover de Aziatische leiders niet beschikken. Azië zal de komende jaren meer op de rest van de wereld gaan lijken. De mythe van een aparte, 'Aziatische weg' zien we voor onze ogen vervluchtigen.

    • Jonathan Eyal