Wetenschap op radio: hopeloos

Weinigen die het weten maar ook op de radio wordt aandacht besteed aan het soort journalistiek dat tegenwoordig wetenschapsjournalistiek heet. Op Radio 5 wel te verstaan, de Opiniezender. Opiniejournalistiek overheerst daar natuurlijk, en verder politiekjournalistiek, kerkjournalistiek, kunstjournalistiek en gewoon praatjournalistiek, maar op donderdagmiddag is er wetenschapsjournalistiek.

Van drie tot vijf, waaruit al blijkt dat de doelgroep niet bestaat uit de schoolgaande jeugd of de te verheffen arbeiderstand, maar ouden-van-dagen, slecht zienden, zieken, bedlegerigen en file-automobilisten. Het doel is dus niet educatie maar tijdverdrijf. Dat is al een aardige handicap voor de ambitieuze wetenschapsjournalist die wetenschap voor de radio brengt. En het is niet de enige, want de radio combineert uitgerekend de onaangenaamste nadelen van krant en televisie. Met de televisie deelt zij het bezwaar dat er altijd haast is en dat de luisteraar niet zelf kan bepalen in welk tempo de wetenschap tot hem komt. En in welke volgorde. Met de krant deelt radio het bezwaar dat de mogelijkheid tot illustreren beperkt is. In de afgelopen drie weken is maar één keer functioneel geluid gebruikt: toen twee tankers op elkaar botsten.

Niet dat men zich door de beperkingen uit het veld laat staan. Het historische programma dat de Radiovolksuniversiteit tussen drie en vier uitzendt behandelde niet alleen de tweede feministische golf maar ook de geschiedenis van trein en tram, wat al lastiger is zonder plaatjes, en de invloed die de Nederlandse plantageteelt had op het landschap van Java. Een wat wonderlijke titel omdat het goedbeschouwd gewoon over de plantageteelt an sich ging. Er was een hoogleraar die zich dapper aan de beperking hield, maar hij verloor het van de oude kina- en tabakstelers die het dagelijkse leven op de plantages beschreven. Hoe het was om administrateur te zijn vóór de Japanse bezetting en in de wonderlijke jaren na 1948. Van de invloed op het landschap zag de luisteraar weinig.

De tijd tussen vier en vijf wordt gevuld door het magazine Faros van Teleac. Daar vindt men de kortademigheid die zo kenmerkend is voor de meeste etherjournalistiek. In de minuten die de radionieuwsdienst en de reclame nog overlaten van het uur moeten volgens de gehanteerde magazine-formule steeds vier onderwerpen en een column worden afgehandeld. Dat laat per item gemiddeld tien minuten. De eerste twee items liggen steeds in de sfeer van het soort wetenschap dat in Angelsaksische kring 'science' heet. Hoe is dat: 'science' op de radio? Om gek van te worden. Is het voor een dagbladjournalist al frustrerend om een dinosauriërtentoonstelling of een botsproef tussen twee tankers te bespreken, de radiojournalist zou men willen toeroepen: doe het niet. Maar ze doen het wel. Beschrijf eens wat je ziet, vragen de onverschrokken Teleac-lui aan de VU-student die Nederlands enige dinosauriërs-expert is. En hij begint te vertellen. Beschrijf eens wat je ziet, vragen ze door de telefoon aan de archeoloog die de Romeinse helm met Christusmonogram onderzoekt. Een ingenieur krijgt de taak de testsectie te beschrijven die TNO in een tanker monteerde. Een Nederlandse aids-onderzoeker in Engeland vertelt telefonisch over gecompliceerde experimenten waarbij katten werden ingespoten met verzwakte Salmonella-bacteriën die een stukje katten-aids-virus in hun genoom hadden opgenomen. Teleac bezoekt een holklinkend laboratorium waar fysici de beweeglijkheid van watermoleculen onderzoeken. “Kunt u beschrijven wat hier gebeurt?” En wat zo treurig is: het is bepaald niet van gering niveau. Uit alles blijkt dat bij Teleac en RVU met inzicht gewerkt wordt en dat het niet schort aan de voorbereiding. Is dat mogelijk in etherland, dat een paar van die mensen worden gedetacheerd bij het NOS-journaal?

    • Karel Knip