Tegen zó veel aanslagen kan natuur niet op

In de afgelopen drie decennia is het profiel van de Nederlandse natuur ingrijpend veranderd. Onze redacteur F.G. de Ruiter heeft dat van nabij meegemaakt en in deze krant beschreven. Ter gelegenheid van zijn afscheid loopt hij nog eenmaal voor zijn lezers door de natuur.

Sinds negen jaar is de otter als wilde inheemse diersoort uit Nederland verdwenen. In 1988 werd de laatste van een vroeger zo bloeiende populatie op een snelweg in Friesland doodgereden. Dat was de genadeslag voor de soort, maar het feitelijke uitsterven had natuurlijk andere oorzaken, vooral gebrek aan beschutting in ons steeds kalere landschap en verregaande vervuiling van rivieren, plassen en meren.

Toen de laatste otter sneuvelde, had eigenlijk niemand dat in de gaten, en dat geldt ook voor de echte deskundigen. Dat lag ook voor de hand: het dier is schuw en leidt een verborgen bestaan. Dat de otter in Nederland uiterst zeldzaam was geworden en praktisch in het voorportaal van de dood leefde, stond allang als een paal boven water, maar uitgestorven? Misschien zat er nog wel een stel in een van die schaarse onbetreden gebieden van ons land. Pas in de loop van 1989 drong de droeve werkelijkheid tot de ottervrienden door en dat slechte nieuws staken ze niet onder stoelen of banken.

Ik heb dat alles van tamelijk dichtbij gevolgd en wat me opviel was hoe lauw de samenleving reageerde. Ook de politiek. Ik had in mijn onnozelheid verwacht dat er wel een minister of Kamerlid zou opstaan om te roepen: “We hebben geen otters meer!” Want het ging niet om een spinnetje of worm, maar om een hoog ontwikkeld zoogdier aan de top van de voedselpiramide, een dier ook dat vanouds in Nederland thuishoort. Een zwaar verlies dus, maar wie mocht denken dat dit een schok teweegbracht, vergist zich. Alleen de ottervrienden treurden.

Diezelfde maatjes zijn sindsdien druk bezig het dier weer in de Nederlandse wateren terug te krijgen. Bij Leeuwarden is een otterpark gesticht, waar geïmporteerde exemplaren als een soort milieu-educatieve attractie rondzwemmen. Belangrijker is dat ermee wordt gefokt om hun nageslacht straks weer uit te zetten in de natuur, zoals in de Alde Faenen, een voormalige veenderij bij Eernewoude, waar het otterbedje zorgvuldig wordt gespreid.

Herintroductie heet dat, werken aan nieuwe natuur, ofwel: werken aan herstel van natuur die verloren is gegaan. Daar zijn inmiddels diverse voorbeelden van te geven. Een redelijk geslaagd geval van herintroductie betreft de bever, een pure vegetariër, die begin vorige eeuw als gevolg van een meedogenloze jacht aan zijn eind kwam. In 1826 werd de laatste bever bij Zalk aan de IJssel met een roeispaan doodgeslagen. Eind 1988 begon Staatsbosbeheer, gesteund door de particuliere natuurbescherming, bij wijze van experiment met het uitzetten van bevers in de Biesbosch. De dieren werden in opeenvolgende jaren uit een druk bezette kolonie langs de Elbe in Oost-Duitsland geplukt en bleken ook hier hun draai te vinden. Het aantal geboorten overtrof al spoedig het sterftetal, waardoor de beverstand in de Biesbosch zich tot ruim vijftig stuks kon uitbreiden.

Een vogelsoort die dankzij herintroductie terugkeerde, is de raaf, die eind jaren twintig als jaarlijkse broedvogel in Nederland uitstierf, maar na de oorlog werd ingevoerd uit Duitsland. De in kweekkooien grootgebrachte jongen zijn tussen 1970 en 1992 op verschillende plaatsen losgelaten en begonnen vanaf 1976 met succes aan hun voortplanting te werken, voornamelijk op de Veluwe.

In de wereld van de vissen voltrekt zich een afgeleide vorm van natuurherstel. De zalm, die in de jaren vijftig verdween uit de Rijn, vindt aarzelend zijn weg terug sinds de rivier in ecologische zin verbetert en op de bovenloop in Duitsland massaal zalmbroed wordt uitgezet. In de Bröl, een zijstroompje van de Sieg, hebben ze alweer gepaaid. Beroepsvissers aan Merwede en Lek krijgen de edele soort nu weer regelmatig in hun netten.

Betekent dit alles dat het goed gaat met de Nederlandse natuur? Verre van dat. Afgelopen zomer verscheen de eerste Natuurverkenning, coproductie van een reeks aan de rijksoverheid gelieerde onderzoeksinstituten. Zij stelden vast dat het oppervlak aan bos in Nederland eindelijk weer iets groeit. Daarentegen blijft de biodiversiteit - de verscheidenheid aan planten- en diersoorten - achteruitgaan, al is het tempo van de verarming afgezwakt. Tegelijk wordt het Nederlandse landschap eentoniger en uniformer, wat vooral te maken heeft met de toenemende verstedelijking.

Er zijn ten minste zes verschijnselen, alle beginnend met 'ver', die natuur en landschap of wat daarvan over is zwaar onder druk zetten: verdroging en vermesting, vervuiling en verstoring (door onder meer recreatie en militaire oefenterreinen), versnippering en regelrechte vernieling. Die laatste twee zijn alom zichtbaar, er is geen instituut nodig om ons daarvoor de ogen te openen.

Neem een provincie als Noord-Brabant. Daar zag je vroeger nog wel een aardig korenveld, maar ook de laatste gele akker is verdwenen om plaats te maken voor het zoveelste veld met snijmaïs. En dan al die lelijke silo's met veevoer en al dat ingekuilde gras, overdekt met zwart plastic, waar weer autobanden op liggen. Wat me ook ernstig stoort, zijn die kantoor- of bedrijvenparken die links en rechts langs de snelwegen zijn verrezen. Je zou denken: ach, aan de snelweg, daar kunnen ze geen kwaad, maar ik heb langzamerhand de indruk dat al die brainparks of hoe ze mogen heten, een onevenredig groot deel van de ruimte opeisen.

Steeds meer nieuwe wegen (en weldra nieuwe spoorlijnen) zijn in hoge mate debet aan de versnippering die de natuur menigmaal reduceert tot geïsoleerde 'bloempotten'. Het plaatselijk of regionaal uitsterven van een diersoort door een samenspannen van nadelige invloeden komt regelmatig voor. Soms speelt versnippering in dat proces een hoofdrol, bijvoorbeeld bij het korhoen, dat op heidevelden leeft en in de loop der jaren uit Drenthe, de Veluwe en de provincie Utrecht is verdreven. Alleen de Sallandse heuvelrug in Overijssel herbergt nog een levensvatbare populatie.

Verder denk ik aan de heikikker, circa één jaar oud en in het voorjaar op zoek naar een eigen territorium. Daarvoor zal hij, komend uit zijn winterverblijf, gemiddeld enkele kilometers moeten afleggen, maar of het hem lukt de begeerde plek te bereiken, is zeer de vraag. Als het beestje een autosnelweg passeert, is zijn overlevingskans vrijwel nihil, ook 's nachts, en hetzelfde gevaar dreigt op een drukke provinciale weg. Ook kanalen vormen een praktisch onneembare barrière. Kanalen zijn niets anders dan langgerekte, door steile damwanden omringde bakken water; daar kan hij wel inspringen, maar niet meer uitkomen.

Nu zijn er figuren die zeggen: “Wat doet zo'n heikikker of korhoen ertoe? Aan minder zeldzaam gedierte heeft Nederland genoeg te bieden. Mussen, merels en meeuwen zat!”

Zo iemand ben ik niet. Ik hecht wel degelijk aan variatie in de natuur en voel me de koning te rijk bij het zien van zoiets bijzonders als een roerdomp of ijsvogel, iets wat ik in de loop der jaren heb leren waarderen.

Ook heb ik geleerd dat de levende natuur als collectief van wilde planten en dieren permanent in beweging is. Er verdwijnen soorten (zoals de diepbetreurde otter), maar er komen er ook bij, soms door middel van herintroductie, maar ook wel op eigen kracht.

Na 1970 zijn hier twee vogelsoorten uitgestorven: de kwak en de ortolaan. De kwak, een kleine reigerachtige, broedde tot 1978 in de Brabantse Biesbosch, sindsdien is hij er niet meer waargenomen. De ortolaan is recent uit het Nederlandse landschap verdwenen.

Daar staat tegenover dat er verschillende vogels bijkwamen. Bijvoorbeeld de roodmus, die in 1987, komend uit het oosten, op Schiermonnikoog neerstreek en zich later over andere Waddeneilanden verspreidde. Sinds 1981 is Nederland vanuit de Noordduitse laagvlakte 'gekoloniseerd' door de buidelmees, bekend om zijn kunstig nest, dat nu ook in moerassige regio's als Friesland, Flevoland en de uiterwaarden langs Waal en Rijn wordt gevonden. Andere nieuwkomers zijn de zwartkopmeeuw en de grauwe gans, die het vanaf 1972 voor de wind ging. Stuk voor stuk gevallen van spontane vestiging.

Een zoogdier dat na vele jaren in Nederland terugkeerde, is de grijze zeehond. Sinds 1980 is sprake van een gestage groei van de populatie, eerst op de Engelschhoek (een langzaam verdwenen plaat bij Terschelling) en later op de Richel tussen Vlieland en Terschelling.

Als ook de plantenwereld in de beschouwing wordt betrokken, is de biodiversiteit in Nederland strikt genomen de afgelopen kwarteeuw nauwelijks kleiner geworden, eerder groter. Maar hieruit afleiden dat de natuur binnen onze grenzen floreert of ten minste op peil blijft, zou een ernstige misvatting zijn.

Het gaat bij bioversiteit niet alleen om de soorten an sich, maar ook om hun verspreiding over het land en de vindplaatsen per soort. Wie de term zo interpreteert - en zo moet het - kan vaststellen dat de aftakeling nog geen einde heeft genomen. Dieren die hier vroeger onbekommerd rondkropen of -vlogen, worden nu in hun voortbestaan bedreigd en zeldzame dieren zijn nog zeldzamer geworden.

De afdeling reptielen en amfibieën telt anno 1997 23 soorten, net zoveel als in 1970, maar sommige, in het bijzonder geelbuikvuurpad, boomkikker en muurhagedis, kan men rustig couveusekindjes noemen. Met andere woorden: er hoeft maar iets te gebeuren of ze zijn er geweest. Ook de dagvlinderstand vertoont een uiterst negatieve balans en verder lenen paddestoelen zich ter illustratie van de neerwaartse spiraal. Bij 88 soorten weidepaddestoelen en mycorrhiza (die in symbiose leven met boom of struik) is de achteruitgang dramatisch. De verliezen variëren van 76 tot 99 procent.

Maar er zijn ook tekenen van hoop. Ik mag graag bij rivieren toeven en zo liep ik, in mijn nadagen als 'natuurverslaggever', opeens door een onvervalste wildernis aan de Maas: een schiereilandje van slechts 2,8 hectare onder Maastricht. Dertig jaar terug was het nog een kaal terrein tussen een oude en een pas gegraven nieuwe bedding, maar sindsdien heeft zich hier spontaan een weelderig ooibos ontwikkeld vol wilde hop, gevlekte scheerling en springbalsemien. Als de mensen er maar met hun poten afblijven, dan wil de natuur wel tot bloei komen.

Soms helpt de mens een handje om de voorwaarden voor nieuwe natuur te scheppen en dat kan ook geen kwaad. Zomer 1991 stond ik op het Eemboerveld bij Vlagtwedde in Groningen, een gewezen akker, waar een bulldozer rondploegde om voor-agrarische heuveltjes en dalen te herstellen. De chauffeur was 55 jaar en heette Johannes Stel. Hij mocht dit werk graag doen, zei de man, liever dan egaliseren, dus grondverzet in omgekeerde richting. En hij wist ervan mee te praten, want hier, op precies dezelfde plek, had hij op de kop af twintig jaar eerder de oude hoogteverschillen moeten gladstrijken voor een ruilverkaveling, dus ten gunste van de landbouw.

Zo blijft het werk in de wereld en dat mag in dit geval kenmerkend heten voor veranderingen die zich in de provincie afspelen. Boerenland, waar de boer zich bij gebrek aan rendement of opvolger terugtrekt, wordt weer in dienst gesteld van de natuur. De tijd van ontginningen is definitief voorbij.

Nu volgt het tegengestelde proces, aarzelend nog, maar onontkoombaar en dat lijkt me bij alle klappen die de natuur te incasseren krijgt, een vooruitgang.