Nobelprijs nieuwe stijl?

De Zweedse Academie die jaarlijks de Nobelprijs voor literatuur toekent, heeft eindelijk een nieuw lid gekozen als opvolger van de in september gestorven 92-jarige dichter Johannes Edfelt. Maar wie is het? Is het Per Olov Enquist? Tomas Tranströmer? Astrid Lindgren? Lars Norén? Nee, ook deze keer heeft de Academie het niet nodig gevonden om één van Zwedens echt belangrijke schrijvers uit te nodigen om aan de beraadslagingen deel te nemen die elke donderdag boven de Effectenbeurs in de oude binnenstad plaats hebben.

In plaats van het prestige van de 'onsterfelijke achttien' die over de prijs beslissen weer wat op te vijzelen met een internationaal bekende naam (in werkelijkheid zijn het er de laatste jaren nog maar veertien), heeft de Academie er de voorkeur aan gegeven zijn genant hoge gemiddelde leeftijd iets te verlagen met de benoeming van een wat jonger lid: de 48-jarige Horace Engdahl.

Engdahl is literatuurwetenschapper en criticus van het dagblad Dagens Nyheter. Hij is Frans geörienteerd en bekend om zijn stilistische elegantie. Met zijn benoeming is gemiddelde leeftijd gedaald van 72 naar 69 jaar. Maar de waardering voor zijn werk loopt zacht gezegd nogal uiteen. Het fundament voor zijn literaire rol legde hij in de jaren zeventig toen hij Franse stucturalisten als Roland Barthes en Jacques Derrida in Zweden introduceerde . En sindsdien heeft hij voornamelijk over obscure Europese schrijvers als Kellgren, Tegner, en Stagnelius geschreven. Linkse intellectuelen prijzen hem daarom hogelijk. Voor veel jongeren is hij een soort goeroe die het Zweede literaire leven op een hoger plan getild zou hebben. Maar de meer conservatieven zijn aanzienlijk sceptischer over hem. Sommigen vinden dat wel erg weinig diepgang achter zijn elegantie schuilgaat en dat zijn literaire verdiensten te verwaarlozen zijn. Anderen vinden hem te academisch en te introvert en verwijten hem nooit een standpunt in te nemen over hedendaagse issues. Vooral het Academielid Knut Ahnlund, jaren lang de belangrijkste figuur achter de Nobelprijs, is hard in zijn kritiek. Hij heeft openlijk laten weten - wat nog nooit in de 207-jarige geschiedenis is voorgekomen - de verkiezing van het nieuwe lid een schandaal te vinden.

Ook vorig jaar veroorzaakte Ahnlund al veel ophef. Toen viel hij openlijk de secretaris van de Academie Sture Ahlen aan vanwege diens despotisme en zijn gebrek aan literaire gevoeligheid. Ahnlund zwoer toen weg te zullen blijven van de Academie-vergaderingen tot de instelling weer wat opener en democratischer was. Maar nu lijkt hij überhaupt nooit meer terug te willen keren in het instituut dat hij drie decennia diende. Volgens Ahnlund is de verkiezing van Engdahl een 'populistische, politiek correcte flirt'. Engdahl zou een 'charlatan' zijn, die eindelijk zijn doel heeft bereikt: het centrum van de literaire macht in Zweden.

Het definitief vertrek van Ahlund is zonder twijfel als een gevoelig verlies voor de Academie. Maar de verkiezing van Engdahl - hoe je ook over hem denkt - kan ook positieve gevolgen hebben. Zijn aantreden kan de werkkracht van de Academie verbeteren, waarvan de meeste leden nu wel heel oud en vaak ook nog ziek zijn. En het feit dat hij een essayist is en een belangrijke rol speelde in de herwaardering van de essayistiek in Zweden, zou wel eens voor een nieuwe oriëntatie van de Zweedse Academie kunnen zorgen. Want waarom is de hoogste literaire onderscheiding ter wereld tot nu alleen maar aan schrijvers en dichters toegekend? Waarom zijn nooit essayisten zoals Jean Starobinski of George Steiner bekroond, wier prachtige teksten van grote invloed zijn geweest op de ontwkkeling van de literatuur? Of anders de zojuist overleden Isaiah Berlin, die de diepte van een filosoof combineerde met de expressie van een dichter?

De bekroning van de Dario Fo dit jaar laat al zien dat de Zweedse Academie bij het zoeken naar Nobelprijswinnaars nieuwe wegen wil inslaan. Je zou zo een natuurlijk handvol toneelschrijvers kunnen noemen wier werk belangrijker is dan dat van Fo, maar door deze veelzijdige theaterman te bekronen hebben de 'onsterfelijke achttien' wel laten zien dat literatuur meer is dan dat wat tussen twee boekomslagen zit. Door een politiek omstreden schrijver als Fo te bekronen is een helder en hoopvol signaal afgegeven dat de normaal zo strenge en politiek voorzichtige Zweese Academie voortaan tegen de stroom in durft te gaan. Deze keer zijn het het Vaticaan en de conservatieve Italiaanse intellectuelen geweest die zich gekwetst voelden. Volgende keer is het misschien de orthodoxe Islam die zich aangesproken voelt: wanneer eindelijk Salman Rushdie zijn zo verdiende Nobelprijs krijgt.