Monumentenzorg wil NV voor beheer forten

Verschillende overheden hebben direct bemoeienis met een 'oer-Hollands fenomeen', de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Toch komen beheer en behoud in het gedrang.

UTRECHT, 10 NOV. Het behoud van de 68 forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie kan worden veiliggesteld als het beheer wordt ondergebracht in een commerciële organisatie. Alle partijen die belang hebben bij de forten zouden aandeelhouder moeten worden van een NV Fortenbeheer.

Daarmee zou de patstelling over het behoud van de Waterlinie doorbroken kunnen worden. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg onderzoekt de haalbaarheid van zo'n NV. P. van Dun, beleidsmedewerker bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, bracht dit onlangs naar voren op een seminar in het fort Blauwkapel bij Utrecht. Aanleiding was de aankoop door de gemeente Utrecht van vijf forten op haar grondgebied. De forten zijn voor één gulden overgenomen van de dienst Domeinen.

De gemeente Utrecht besloot tot de koop over te gaan, nadat een poging om met de provincie Utrecht een integraal beleid te ontwikkelen was mislukt.

De waterlinie werd vorige eeuw aangelegd als verdedigingsstelsel. Met behulp van sluizen, dijken en inundatiekanalen kon een brede strook land over een lengte van 85 kilometer, van Muiden tot de Biesbosch, onder water worden gezet. Op strategische punten werden forten gebouwd.

Eind vorige eeuw volgde de Stelling van Amsterdam, een ring van 49 forten rond de hoofdstad. De Stelling van Amsterdam is eind vorig jaar op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO geplaatst.

Staatssecretaris A. Nuis (Cultuur) heeft de Hollandse Waterlinie inmiddels ook aangemeld voor plaatsing op de UNESCO-lijst. Het is de overheid echter tot nu toe niet gelukt tot een integrale aanpak van de waterlinie te komen. Enige tientallen overheidsinstanties (gemeenten, provincies, waterschappen en rijksdiensten) hebben bemoeienis met de linie. Ook de decentralisatie van het overheidsbeleid belemmert een integrale aanpak.

Beleidsmedewerker Van Dun van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg vindt het onthutsend dat iedereen het met elkaar eens is, maar dat er niets gebeurt. Volgens hem is er bij de vijf betrokken provincies wel een politiek draagvlak voor een integrale aanpak, maar zal er pas iets gebeuren als het rijk de linie een beschermde status geeft.

J. de Vos, medewerker van Staatsbosbeheer, dat een aantal forten bezit, ziet goede mogelijkheden in een beheers-NV. Daarin zou Staatsbosbeheer dan haar forten als kapitaal kunnen inbrengen en zich kunnen concentreren op het beheer van de omgeving, wat haar specialisme is. Volgens De Vos is de Hollandse Waterlinie “veel interessanter” dan de Stelling van Amsterdam, maar is de stelling dankzij een betere presentatie op de Werelderfgoedlijst terechtgekomen. Ook de Utrechtse wethouder J. Zwart (monumenten) hekelde de desinteresse. Als voorbeeld noemde hij het onderzoek dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Rijksplanologische Dienst hadden laten verrichten naar de toekomst van de linie en dat drie jaar na het concept-rapport is vrijgegeven.

In het rapport 'Waterlijn' wordt gepleit voor een grotere herkenbaarheid van de waterliniewerken, omdat ze nu nog veelal een verborgen bestaan leiden. De linie zou tal van mogelijkheden bieden voor het toerisme, maar er zijn ook forten die daartegen beschermd moeten worden wegens hun grote ecologische betekenis. Op diverse plaatsen zouden inundatievelden weer onder water gezet kunnen worden om te dienen als zoetwaterreservoir of als natuurgebied. Omdat het onbetaalbaar is alle forten volledig in stand te houden, zouden sommige aan hun lot moeten worden overgelaten.

Wethouder Zwart onderstreepte dat samenwerking noodzakelijk is, “al was het maar om te voorkomen dat er twintig bezoekerscentra op de verschillende forten worden gerealiseerd”. Hij wees erop dat de komende tien jaar tientallen miljarden guldens worden uitgegeven aan infrastructuur. “Als tegenwicht moet de Nieuwe Hollandse Waterlinie als oer-Hollands fenomeen worden gekoesterd.”