Kaddish blijkt vooral verdacht soort lawaai

Voorstelling: Kaddish door Towering Inferno. Gezien: 9/11 Muziektheater Amsterdam.

Soms bekroop me, gisteravond in het Amsterdamse Muziektheater, tijdens Kaddish het gevoel dat het enige doel in het leven van de mensen op het podium was om het publiek het leven zuur te maken. En dat met een voorstelling die 'een gebed' beloofde te zijn 'voor alle culturen die deze eeuw werden bedreigd of vernietigd'.

Het duo Towering Inferno (gitaar, toetsen, saxofoon), aangevuld met vier muzikanten (toetsen, viool, drums, percussie), een zanger en een zangeres, bracht een kruising tussen avantgarde serieuze muziek en de heftige, bombastische kant van de pop: metal, industriële rock en symfonische jaren zeventig-rock. Erger dan dat die muziek gedateerd is, was dat het zo schraal werd gedaan: geheel volgens het boekje van de moderne muziek volgden dissonante klanken op melodieuze passages, zonder een boeiende visie.

Dat gold ook voor de harde stukken, gedragen door eenvormige, botte ritmes: ze waren niet meeslepend, alleen pijnigend, en bovendien klinisch, zonder enige passie, gespeeld. Het wezenloze geschreeuw van de zanger, die zich in korte tijd gehaat wist te maken, maakte het er niet beter op. De fraai zingende Hongaarse zangeres was het enige lichtpunt: als zij de hele tijd had gezongen, was er niets aan de hand geweest - maar zo mocht het niet zijn.

Voor, achter, op en naast de muzikanten toonden filmbeelden het thema van de Kaddish - het joodse gebed voor de doden. Al gauw verschenen de clichébeelden uit nazi-Duitsland: hakenkruizen, een brandende jodenster, Hitlerjugend, joodse gevangenen. Even later twee joodse mannen, zo te zien in een synagoge. Waarom, waartoe? Een andere bedoeling dan goedkoop effectbejag was uit de montage of de onverstaanbare teksten niet op te maken.

Dat bezoekers in andere landen zich door de voorstelling gegriefd voelden, geloof ik graag: het achteloos gebruiken van zulke beelden toont in wezen een diepe minachting voor de geschiedenis van het joodse volk. Zoals wel vaker bij industriële rock kwam zo nu en dan de vraag op of de makers wel echt aan de kant van de vernietigden stonden, of dat ze de krachtige uitstraling van de nazi's ook wel wat vonden hebben. Een samenhang met andere beelden, van bomen, een boot die te water werd gelaten, was niet te ontdekken en de muziek maakte niet nieuwsgierig naar de betekenis of bedoeling ervan.

Tussen het applaus na afloop klonk luid boe-geroep. Soms is dat een teken dat er iets van belang gebeurt, iets vernieuwends dat het publiek nog niet begrijpt. Maar in dit geval hadden de weglopers en boe-roepers gelijk.