Er is meer kennis dan de medische

Toen Dr. G.P.M. Kruyver mijn stuk over medisch zinloos handelen in deze krant van 15 oktober onder ogen kreeg, is er volgens mij het volgende gebeurd. Hij las de kop 'Arts heeft niet het laatste woord', en het daarop volgende 'intro' dat aldus begon: “De arts is geen verlosser maar een medisch monteur”, werd heel erg boos en las vervolgens dat stuk met het rode waas nog voor zijn ogen.

Kruyver (NRC Handelsblad, 4 november) schrijft mij in zijn stuk de volgende opvatting toe: artsen hoeven zich geen oordeel te vormen over de vraag of hun handelen zinvol of zinloos is, ze hoeven hun technische kennis alleen maar in dienst te stellen van de wensen van de patiënt. Dat is ongeveer het tegendeel van wat ik bedoelde te zeggen.

Volgens Kruyver is de arts daarentegen verantwoordelijk voor zijn medisch handelen en moet hij zich bij voortduring afvragen of een voorgenomen behandeling wel zinvol is. Daar ben ik het roerend mee eens. Mijn stelling was dan ook slechts dat, om de zin van een voorgenomen behandeling te kunnen bepalen, de arts niet genoeg heeft aan medisch-technische kennis alleen. Er komt onvermijdelijk een vergelijkend oordeel bij kijken dat zich richt op de kwaliteit van het leven die het gevolg is van het uitvoeren en het nalaten van de voorgenomen behandeling.

Op deze stelling gaat Kruyver niet in. Hij windt zich alleen op over eena antal beweringen die ik geen van alle in mijn stuk heb gedaan. Wat heb ik geschreven? Ik heb de rol van de arts bij behandelbeslissingen bij het levenseinde niet vergeleken met die van dokter Mengele, maar alleen vastgesteld dat zulke associaties steevast opgeroepen worden door de opvatting dat artsen bij zulke beslissingen niet om oordelen betreffende de kwaliteit van leven heen kunnen.

Ik heb verder de functie van de arts niet gereduceerd tot die van een monteur, maar gesteld dat zo'n taakopvatting volgt uit de gedachte dat je de zin van medisch handelen in louter medisch-technische termen kunt vaststellen. In beide gevallen dicht Kruyver mij dus het standpunt toe dat ik bestrijd.

Even lijkt hij op mijn stelling in te gaan, als hij zegt dat medisch ingrijpen wel degelijk wordt gerechtvaardigd door het defect dat hetmedisch oog waarneemt, en niet door de last die de patiënt van dat defect heeft. Immers, ook als een patiënt nog geen klachten heeft, moet een arts hem dringend aanraden iets aan een kwaadaardige tumor te doen zolang het nog kan. Mijn antwoord is dat het ook in dat geval niet de tumor als zodanig is die de uiteindelijke reden voor het behandeladvies vormt, maarde last die de patiënt van die tumor zal krijgen.

Maar ik begrijp wel dat het Kruyver ook op dit punt eigenlijk gaat om het inzicht dat medisch handelen zinloos kan zijn, en dat de arts een eigen verantwoordelijkheid heeft om daartegen te waken. Natuurlijk heeft hij die.

Maar zulk handelen is niet 'medisch zinloos'. Het is zinloos omdat het welzijn van de patiënt er niet mee is gediend.