De wreedheid van de gewone man

Nexus. Nr. 18 Uitg. Nexus Institute, Tilburg. Losse nrs. ƒ 34,50. Jaarab. (3 nrs.) ƒ 99,' inl. 013-4663450

“Als mijn einde daar is (en heel lang kan dat niet meer duren), zou ik willen - ik zeg het je eerlijk - dat de dood mij zou aantreffen op het moment dat ik mijn leven als voltooid kon beschouwen. Maar omdat ik dit, zoals de zaken er nu voor staan, niet kan verwachten, hoop ik dat hij mij vindt terwijl ik zit te lezen of te schrijven of, zo het God behaagt, wanneer ik me overgeef aan tranen en gebeden.” Dat schreef Francesco Petrarca in 1373 aan zijn vriend Boccaccio, aan het slot van een lange brief waarin hij hartstochtelijk betoogt dat hoge leeftijd en/of grote roem geen redenen zijn om op de lauweren te gaan rusten. Integendeel, hij haalt met instemming de woorden van de 'barbaar' Maximinus aan: “Hoe hoger ik stijg, des te meer zal ik me inspannen”. Petrarca heeft nog veel te doen en hij hoopt dat af te krijgen, wat hij daaronder ook zou kunnen verstaan. Zo te lezen is de kans dat hij zijn leven 'voltooid' zou achten niet erg groot. Het is wel roerend dat hij als dat niet lukt een goede tweede stervenstoestand zou vinden om getroffen te worden terwijl hij zit te schrijven of te lezen - in vol bedrijf dus.

Petrarca was een van de productiefste briefschrijvers uit de wereldliteratuur, schrijft Frans van Dooren in een inleidinkje op zijn vertaling van deze ouderdomsbrief. Deze ene, afgedrukt in het tijdschrift Nexus maakt nieuwsgierig naar de rest.

Nexus is een tijdschrift van essays, en dan vooral essays die zich bezighouden met ethiek, la condition humaine, mensbeelden in de (recente) geschiedenis en kunst. Dat brengt als vanzelf, en zeker in dit nummer dat gewijd is aan raadselen, 'het raadsel van het kwaad, zwijgen, kunst en politiek', veel denken over de dood met zich mee, en dan over het algemeen niet het soort dood dat Petrarca voor ogen stond, rustig achter de schrijftafel.

In het fascinerende openingsessay 'An ordinary man' schrijft Heikelien Verrijn Stuart over Dusko Tadic, de oorlogsmisdadiger die terechtstond voor het Joegoslavië tribunaal. Ze wil zich, schrijft ze, niet verdiepen in Tadic, ze wil hèm niet begrijpen, wat ze wil begrijpen is de wreedheid waartoe een 'ordinary man' als Tadic in staat is geweest. Als vanzelf grijpt ze af en toe terug naar de verslagen van die andere grote rechtzaak tegen een oorlogsmisdadiger, het Eichmann-proces uit 1961 waarover onder meer Hannah Arendt haar contoversiële en beroemde Eichmann in Jerusalem schreef. Maar er is natuurlijk een groot verschil: Eichmann was een machtig man die vanachter zijn schrijftafel de moord op talloze anonieme mensen voltrok, Tadic is een 'kleine vis', een mannetje van niets dat hoogstpersoonlijk opdracht gaf tot gruwelen waar hij ook zelf bij aanwezig was - soms mensen aangedaan die zijn buren waren, zijn bekenden, zijn vrienden zelfs.

Tadic is wreed geweest, dat woord is de kern van alles, en het is het gruwelijkste woord van alle. “Waarom stond hij erbij toen zijn beste vriend werd doodgemarteld?” Tegenover wreedheid is geen verweer, niet alleen letterlijk niet, maar ook moreel niet. Daarom, schrijft Verrijn Stuart, is men geneigd zich te identificeren met de slachtoffers: “Zij zijn de enigen die iets kunnen goedmaken van de onherstelbare vernietiging die de wreedheid heeft aangericht, de enigen op wie wij onze hoop, dat het ooit nog wel allemaal goed zal komen, kunnen projecteren.” Maar ook het al te diep buigen voor de slachtoffers heeft gevaren. Dit stuk geeft veel stof tot nadenken, vooral omdat Verrijn Stuart niet probeert met verklaringen en verschoningen te komen, maar wel zo onverschrokken mogelijk onder ogen wil zien wat wreedheid is en hoe we ons daarvoor af proberen te schermen. Het artikel van Amos Elon over 'De excommunictie van Hannah Arendt' sluit er goed bij aan, omdat daarin het Eichmann-proces en Arendts kijk daarop aan de orde komt. Arendts boek veroorzaakt stormen van verontwaardiging. In de eerste plaats vanwege haar bewering dat het kwaad 'banaal' was, dat het juist Eichmanns 'onnadenkendheid' was die zo wezenlijk voor hem was en niet een of andere hogere doortraptheid. En in de tweede plaats vanwege de passages die ze wijdde aan de Joodse Raden die ze ongewilde werktuigen van de nazi's noemde. Elon laat zien hoe het kwam dat deze beweringen zoveel woede wekten. En ook dat stemt tot nadenken, evenals het stuk van Sylvie Germain dat erop volgt, een stuk over het zwijgen en de gruwel, over Paul Celan vooral en over zijn maar ternauwernood op de stilte veroverde gedichten. Nexus is een tijdschrift om een poosje over te doen, want het haalt zoveel overhoop. En dat moet ook.