Zwerfkinderen

Allerlei regels en regelingen brengen bewoners van Amsterdam ertoe zich in te schrijven of ingeschreven te blijven op een plek waar ze in werkelijkheid niet wonen.

En andersom. Het bericht dat meer dan 3.000 Amsterdamse kinderen niet naar school gaan, is dan ook geen reden voor ontsteltenis, maar roept de vraag op of ze echt zwerven of alleen maar administratief, of dat ze, zoals ook wel is geopperd, misschien zelfs niet eens bestaan. Aan de andere kant, of het er nu duizend meer of minder zijn, het Amsterdamse straatbeeld maakt duidelijk dat veel jongeren de school mijden. De oorzaak daarvan wordt toegeschreven aan een gebrek aan controle, aan de ouders en aan die kinderen zelf, maar dat het massale verzuim weleens te maken zou kunnen hebben met het karakter van de onderwijsvoorzieningen die we in de aanbieding hebben, daar lees ik vreemd genoeg nooit over. Vandaar mijn uitnodiging aan de lezer om, samen met mij, de hand in onze eigen onderwijsboezem te steken.

Na de oorlog hebben we de leerplichtige leeftijd stukje en beetje verhoogd tot het huidige niveau van 16 jaar voltijds en daarna, tot de leeftijd van 18 jaar, één of twee dagen per week. Die leeftijd werd verhoogd om ervoor te zorgen dat iedereen een brede algemene vorming zou krijgen en, niet te vergeten, 'krities en maatschappelijk weerbaar' zou worden. De ambachtsschool werd voorbereidend beroepsonderwijs en leverde niet langer een ambachtsman af, maar een man (m/v) die naast de lessen in Nederlands, vreemde talen, aardrijkskunde en geschiedenis ook een paar uur in de week heeft mogen ruiken aan algemeen technische zaken. De ambachtsschool maakte het mogelijk voor zwakke leerlingen om, na jarenlang vruchteloos worstelen met d's en dt's, zelfbewustzijn te ontwikkelen door succesvol te timmeren en te lassen. Na de opheffing van de ambachtsschool werden zij ertoe verplicht ook na de lagere school die vruchteloze worsteling nog een aantal jaren voort te zetten.

Tegelijk met deze zogeheten mavoïsering van het lager beroepsonderwijs, deed zich een andere ontwikkeling voor. De komst van buitenlanders zorgde voor een explosieve stijging van het contingent taalzwakke leerlingen. Omdat we daar, met de afschaffing van de lagere-beroepsopleidingen, geen geschikte opvang voor hadden, betekende dit een even explosieve toename van het voortijdig schoolverlaten.

Veel leraren moeten dus lesgeven aan leerlingen voor wie het onderwijs niet geschikt is en die geen huiswerk maken, er onverschillig bijhangen, geen boeken aanschaffen en die, zodra dat even kan, de les verstoren. U begrijpt dat een leraar die leerlingen liever ziet gaan dan komen. Die liever-kwijt-dan-rijk-leerlingen glijden, tot tevredenheid van beide partijen, geleidelijk weg uit de school, en waar belangen zo duidelijk parallel lopen, valt zo'n ontwikkeling nauwelijks te stuiten.

De oplossing moet niet worden gezocht in vervolging van de ouders, spijbelbussen, boetes of andere maatregelen om ons onderwijs op te dringen, maar in het aanbieden van onderwijs dat aansluit bij de behoeften en kwaliteiten van deze categorie leerlingen. Wij moeten ervoor zorgen dat ze niet met een halve beroeps'voorbereidende', maar met een volledige beroeps'gerichte' opleiding de school verlaten. Niet omdat we algemene ontwikkeling en theoretische scholing niet belangrijk vinden, maar omdat we op grond van onze ervaring moeten ophouden met de arrogantie te menen dat het onderwijssysteem in orde is, maar dat de leerlingen niet deugen. En wat die maatschappelijke weerbaarheid betreft: die is meer gediend bij de wetenschap een vak te hebben geleerd en straks een baan te vinden, dan bij het jarenlang doelloos rondhangen binnen of buiten de poorten van een school.

    • Leo Prick