Wie betaalt Tommy's speeltje?

In een week tijd is er meer gebeurd om Indonesische uitwassen aan te pakken dan in de afgelopen decennia van bewondering voor de spectaculaire groeicijfers van deze Aziatische 'tijger'. Plotseling kunnen in Indonesië de lucratieve monopolies op de handel in tarwe, sojabonen en knoflook worden afgeschaft. Met een pennenstreek zijn de subsidies voor de Indonesische nationale auto- en vliegtuigindustrie geschrapt. Daar gaan de speeltjes van minister Habibi (Technologie) en van 'Tommy', de jongste zoon van president Soeharto.

Tommy is deze week afgetreden als directeur van de Indonesische autofabriek, een samenwerkingsverband met het Zuid-Koreaanse conglomeraat KIA. Zestien failliete banken zijn afgelopen weekeinde op last van de regering gesloten, waaronder de banken van zoon 'Bambang' en van een halfbroer van Soeharto. Beiden hebben aangekondigd uit protest tegen de sluiting van hun bank een proces tegen de staat te zullen aanspannen. Maar, voor het eerst wellicht sinds de staatsgreep van 1965, wordt het economische imperium van de Soeharto-familie aangepakt.

'Croony capitalism' wordt deze familiaire verwevenheid van zakelijke en privébelangen wel genoemd. Westerse ondernemers en bankiers, belust op orders of investeringsvergunningen, hebben zich hierover nooit uitgelaten toen het nog goed ging. Beducht om de Aziatische gevoeligheid ten aanzien van buitenlandse bemoeienis te kwetsen, hielden Westerse overheden hun mond over economische wantoestanden. Multilaterale instellingen zoals het IMF, de Wereldbank en de Aziatische ontwikkelingsbank, loofden de ontegenzeggelijke verworvenheden van het Aziatische wonder, de gestage terugdringing van de armoede en het degelijke macro-economische beleid.

In de eerste helft van dit jaar is hieraan een abrupt einde gekomen. In Thailand begon een vertrouwenscrisis waarvan het einde nog niet in zicht is. Aanvankelijk leek de schade beperkt te blijven tot een valutaprobleem. De Aziatische munten waren aan de dollar gekoppeld en ze waren meegezogen met de koersstijging van de dollar. Een fikse devaluatie zou het verlies aan concurrentievermogen herstellen.

Maar toen de vaste wisselkoersen werden losgelaten en de effectenbeurzen in paniek raakten, kwamen andere tekortkomingen aan het licht. De Aziatische landen waren jarenlang de darlings van de internationale kapitaalmarkten geweest en hadden grote bedragen aan buitenlands kapitaal aangetrokken. Lokale financiële instellingen hadden deze geleende dollars geïnvesteerd in twijfelachtige projecten. De overvloedige beschikbaarheid van goedkoop buitenlands geld had geleid tot een boom in onroerend goed, projectontwikkeling, industriële uitbreidingen, infrastructurele mega-projecten en futuristische plannen.

De devaluaties hadden een onvermijdelijk gevolg: plotseling moesten de kortlopende leningen die in goedkope dollars waren afgesloten, worden afgelost met dertig, veertig procent duurdere dollars. Bovendien dreigde de buitenlandse kapitaalstroom die nodig is om de leningen te herfinancieren, abrupt op te drogen. De deviezenreserves van de centrale banken waren binnen de kortste keren uitgeput en de ongereguleerde financiële instellingen kwamen onder enorme druk te staan. Er tekende zich een pijnlijk proces van deflatie af.

Als de paniek toeslaat, is het Internationale Monetaire Fonds nabij. Het IMF heeft inmiddels voor twee landen een financieel reddingsplan opgesteld met als doel het vertrouwen te helpen herstellen. Met bijdragen van andere landen en instellingen is voor Thailand een programma van 17,2 miljard dollar en voor Indonesië van 23 miljard dollar aangekondigd.

Evenals na de IMF-lening aan Mexico (1995, 50 miljard dollar) is de discussie opgelaaid of het verstandig is om met een massaal hulppakket een land in financiële nood te redden. In feite wordt immers slecht gedrag beloond met een IMF-lening. Het gaat in Thailand en Indonesië (en in de andere Aziatische landen) niet zozeer om wanbeleid van de overheid, maar om een verziekte private sector die zich vertild heeft. Maar het IMF is niet opgezet als de lender of last resort voor de private sector. En het is evenmin de bedoeling dat multilaterale hulp het fortuin van politieke of zakelijke insiders veilig stelt.

Er doet zich een tweede dilemma voor bij snelle hulpverlening door het IMF, waarop overigens in het verleden zowel door de Westerse landen als de opkomende landen is aangedrongen en waarvoor het Fonds dit jaar een forse uitbreiding van zijn financiële middelen heeft gekregen. Dat is het probleem van de moral hazard: als men in de financiële markten weet dat het IMF klaar staat om in geval van nood met miljarden dollars bij te springen, dan kan men alle voorzichtigheid laten varen. Risicovolle investeringen? Geen probleem, want het vangnet van het IMF ligt klaar.

Met andere woorden: de verwachting dat het IMF zal bijspringen om een crisis te voorkomen, brengt marktpartijen er toe om grotere financiële risico's te nemen waardoor de kans op het uitbreken van een crisis wordt versterkt.

Dit is op zichzelf juist, maar het is de vraag of afzijdigheid van het IMF zou helpen. Nu kan het IMF aan zijn financiële reddingspakket voorwaarden verbinden voor economische hervormingen. Een land in moeilijkheden maakt pijnlijke aanpassingen door als het onder curatele van het IMF staat. Het probleem blijft hoe de kosten van de reddingsoperatie verdeeld worden en hoe de lokale bankiers, ondernemers, politieke croonies en de internationale geldverstrekkers kunnen worden aangeslagen om hun bijdrage aan de saneringsoperaties te leveren.

    • Roel Janssen