Waterkoud

NET WAS HET natte weer dat ons al een week werd beloofd gearriveerd, eindelijk draaide de wind van oost naar west, of er waren weer mensen die het waterkoud hadden. De thermometer ging met hele graden tegelijk omhoog, maar zij hadden het waterkoud. Inmiddels niet meer trouwens, inmiddels is het bijna zwoel aan het worden, maar heel even was het zo.

Er bestaat een hardnekkig Nederlands geloof dat lucht kouder wordt, of secuurder geformuleerd: beter koelt, naarmate er meer 'vocht' in zit. Sla er oude Van Dales op na en zie dat het waar is. In werkelijkheid is natuurlijk het omgekeerde het geval: hoe hoger het vochtgehalte van de lucht hoe trager de lichaamsverdamping, dus hoe minder de koeling. Een noemenswaardige invloed van het vochtgehalte op de stralingsbalans (het verschil tussen de eigen uitstraling en de instraling vanuit de omgeving) is moeilijk voorstelbaar. Dat vochtige of droge lucht per volume-eenheid meer of minder joules ('calorieën') nodig heeft om een graad in temperatuur te stijgen is alleen theoretisch van belang. Zelfs in verzadigde lucht zinkt de hoeveelheid waterdamp volkomen in het niet bij de hoeveelheden stikstof, zuurstof en argon.

Het Hollandse begrip waterkou heeft geen bestaansrecht, toch houdt ook het KNMI er rekening mee. Het slaat, zegt het instituut desgevraagd, op koud, vaak somber weer zonder regen maar met behoorlijk wat wind. De grens tussen 'koel' en 'koud' trekt het KNMI meestal bij een graad of 12, want men getroost zich veel moeite om aansluiting te vinden bij de beleveniswereld van de afnemers van het weerbericht. Als die afnemers het willen komt ook het eigenaardige woord 'nachtvorst' weer terug. Nu heet dat formeel 'vorst aan de grond'.

Dit wil allemaal niet zeggen dat er geen echte waterkou bestaat. De vreselijkste vorm van waterkou wordt beschreven door al die helden en romantici die nu al twee eeuwen op gezette tijden naar de polen trekken. Er is geen behoorlijk poolverslag waaruit niet op zeker moment wanhoopskreten opklinken over de ijzige kou in de bevroren slaapzak die pas halverwege de nacht ontdooit. Neem, als willekeurig voorbeeld, het treurige verslag van een moderne mislukte reis naar de noordpool in 'The devil's labyrinth' (Swan Hill Press, 1995). Lees hoe de geteisterde auteur Clive Johnson in de loop van een paar dagen al zoveel water in zijn slaapzak ziet condenseren dat het er 's nachts met geen mogelijkheid in is warm te krijgen. Terwijl er bij een buitentemperatuur van min 40 tot min 50 graden juist zo'n behoefte was aan warmte. De modernste spulletjes meegenomen en toch in de kou gestaan.

Neem als ander willekeurig voorbeeld het verslag van de poolexpeditie van de Amerikaanse majoor Adolphus Greely die tussen tussen 1881 en 1884 in het uiterste noorden van Canada verbleef.

Greely, hieronder op het plaatje, leefde maandenlang zonder voedsel met een zestal reisgenoten in een ingestorte tent tussen sneeuw en ijs. Men at korstmos en houtsplinters en bakte de eigen schoenen in zeehondenvet. De dokter snoepte stiekem van de overledenen en overleed tenslotte zelf. Maar de discipline bleef gehandhaafd, insubordinatie werd gestraft met kamerarrest, een dief werd terechtgesteld door een vuurpeloton dat maar één geweer had en Greely verzette zich met kracht tegen een permanent verblijf in de slaapzak. Dat was niet goed voor het moreel. Dat de slaapzakken bij de heersende felle kou dus 's avonds met grof geweld moesten worden opengebroken nam hij voor lief.

Het is misschien niet zo'n alledaags probleem, maar wie van poolreizen droomt moet ook af en toe eens nadenken over technische details. Is de natte slaapzak te voorkomen, dat is de kwestie. Duidelijk is natuurlijk waar het vocht in de slaapzak vandaan komt: het is de gecondenseerde en later vaak zelfs bevroren 'perspiratio insensibilis', de onzichtbare transpiratie die dag en nacht doorgaat.

Het raadselachtige is dat de kleding van poolreizigers gewoonlijk even koud wordt als de slaapzak en evenveel, vaak zelfs meer huidverdamping te verduren krijgt maar niet of nauwelijks nat wordt. Sterker nog: vaak droogt kleding die 's nachts vochtig was geworden (bijvoorbeeld omdat erin geslapen werd) overdag weer op. Daarop wijst het verslag 'Man in the antarctic' (Taylor & Francis, 1988) van een biomedische expeditie naar de zuidpool. 'Surprisingly in 44 % of the observations the clothing lost weight during the day.'

Het kan bijna niet anders of de hoge relatieve luchtvochtigheid binnen de tent is de verklaring. Lucht van min twintig graden celsius kan per kubieke meter maar 0,9 gram water bevatten (bij nul graden is dat 4,8 gram en bij plus twintig: 17,3 gram). Bij min twintig graden is in een tent van gemiddelde afmetingen dus 7 gram water voldoende om verzadiging te bewerkstelligen. Een simpele berekening (of een simpel proefje) leert dat het aan de kook brengen van een halve liter water met een benzine- of petroleumbrander al een veelvoud van die 7 gram in de tent brengt. Verrassend genoeg valt dit weer in het niet bij de vochtproductie van de kampeerders zelf. Het biomedische verslag vond voor het 'niet-renale' vochtverlies van de expeditieleden, de waterafvoer buiten nieren en blaas om, een waarde van 75 gram per man per uur. (Jammer genoeg werd geen onderscheid gemaakt tussen ademvocht en huidverdamping.) Er is dus geen reden om het koken in de tent te verbieden, ook al ziet het dampen van de pannen er soms dramatisch uit.

Wat is er in hemelsnaam te doen tegen condensvorming in de slaapzak? Een paardenmiddel is het gebruik van een stevige plastic zak, een Vapour Barrier Lining, als binnenbekleding van de slaapzak. De zak blijft droog, maar de slaper staat er 's ochtends drijfnat uit op. Beter is het ervoor te zorgen dat de zon de tent zo goed mogelijk kan opwarmen, bijvoorbeeld door het dag en nacht ritme om te draaien en een donker soort tentdoek te gebruiken. In gebieden waar het nooit regent maar hoogstens sneeuwt kan extra ventilerend kaasdoekachtig tentdoek worden gekozen. Het beste is waarschijnlijk: een flink gat in het dak zoals bij een wigwam.