Wachtgeld is rem op onderzoek van aio's

Universiteiten hebben steeds meer moeite om geschikte promovendi te vinden die genoegen nemen met een beurs in plaats van een vierjarig dienstverband. 'De beurspromovendus sterft uit', aldus deze krant op 18 oktober. Reeds bij de invoering van de promotiebeurs werd dit probleem voorzien: wie krijg je zo gek om vier jaar keihard te werken, zonder sociale verzekeringen, zonder pensioenopbouw, en met in het vooruitzicht een bijstandsuitkering als de vervolgbaan niet meteen klaarligt?

De reden waarom het beurspromoveren het aio-stelsel moest vervangen, was de wachtgeldproblematiek. Landelijk gezien promoveerde slechts 17 procent van de aio's binnen vier jaar. Dit probleem is moeilijk op te lossen. Vroeger duurde het schrijven van een proefschrift dikwijls veel langer dan vier jaar. De maatstaven die bij de beoordeling van een huidige dissertatie worden gehanteerd, lijken nauwelijks lichter te zijn geworden. Daarbij duurt op de meeste universiteiten het traject tussen het afronden van het manuscript en de daadwerkelijke promotie 4 tot 6 maanden, zodat men om op tijd te promoveren nog slechts over 3,5 jaar voor het onderzoek én de verslaglegging daarover beschikt.

Maar er is een ander knelpunt dat de wachtgeldaanspraken enorm heeft doen toenemen. De ex-aio op wachtgeld zit muurvast. Enerzijds dient hij of zij het proefschrift te voltooien, anderzijds zijn de mogelijkheden om ongepromoveerd reeds een voltijdse vervolgbaan te accepteren praktisch nihil. Een deeltijd-betrekking, bij voorkeur in een verwante onderzoeksrichting, zou uitkomst bieden. In de resterende tijd kan dan de promotie worden voltooid. Soms worden om deze reden postdocplaatsen in het eerste jaar parttime vervuld. De mogelijkheden worden echter sterk beperkt omdat de universiteiten de deur voor aio' s van zusterinstellingen angstvallig gesloten houden. Elke universiteit heeft immers zijn eigen wachtgeldpotje. Zij wil elke aanspraak daarop minimaal houden.

Dikwijls wordt tegenwoordig een uitzendbureau ingeschakeld om jonge onderzoekers in dienst te nemen zonder wachtgeldverplichtingen. Hiertoe wordt soms per gewerkt uur tot 100 procent méér betaald aan de (commerciële) uitzendbureaus. Voor onderzoekers is deze optie onaantrekkelijk omdat bij een dienstverband langer dan 6 maanden hun opgebouwde rechten sterk verminderen.

Het belangrijkste nadeel van het aio-stelsel kan worden weggenomen door de aio's snel aan (onderzoeks)werk te helpen. Hier ligt wellicht een belangrijke taak voor de Vereniging van Samenwerkende Universiteiten (VSNU). Zij kan bijvoorbeeld een wachtgeld-pool voor aio's en oio's in het leven roepen. Dan kunnen wachtgelden evenredig naar aanstellingsduur over de verschillende werkgevers worden verdeeld. Een grotere mobiliteit tussen de universiteiten zal het beroep van aio's op wachtgelden verminderen en een snelle doorstroming naar betaalde banen bevorderen.