Socioloog Manuel Castells over de netwerkeconomie: 'We hebben een machine gemaakt die door niemand beheerst wordt'

Nu de economieën van de wereld steeds meer een wereldeconomie vormen, verliezen oude verbanden hun betekenis. In plaats daarvan is een keten van flexibele netwerken gekomen. Die grazen rücksichtlos de wereld af, op zoek naar nieuwe productie- en consumptiemogelijkheden. Socioloog Manuel Castells, afgelopen week in Nederland, stelt een 'diagnose van de tijd'.

Manuel Castells: The Information Age: Economy, Society and Culture. Volume I The Rise of the Network Society (1996) Volume II The Power of Identity (1997) Volume III End of Millennium (binnenkort) Uitgeverij Blackwell Publishers, Oxford

Met politici heeft Manuel Castells weinig geduld. Hij heeft wel een goede raad voor ze: “Ga naar huis. Volg een opfriscursus. Kom dan terug.” Politici begrijpen niet dat we in een nieuwe tijd zijn aangeland. Ze begrijpen niet dat de tijd dat ze de samenleving nog konden sturen voorbij is, en daar maakt Castells zich ongerust over. “Mijn belangrijkste zorg is dat we leven in een periode waarin we technologisch overontwikkeld zijn, maar sociaal onderontwikkeld. Ons politieke systeem is het meest achterhaalde deel van onze samenlevingen. De politieke klasse is de meest ouderwetse groep in onze samenleving. Intellectuelen, zakenlieden, leiders van maatschappelijke bewegingen - ze begrijpen allemaal beter in welke richting de samenleving zich ontwikkelt dan de politieke leiders.”

Soms is te merken dat de socioloog Manuel Castells (Spanje, 1942) in zijn studententijd een activist was. Al op zijn twintigste studentenleider, werd hij in het begin van de jaren zestig door Franco uit Spanje verbannen. Maar die echo van het activisme hoor je alleen als je hem om een oordeel vraagt. Dan komt het engagement tevoorschijn, dan wordt zijn Engels radder en het Spaanse accent iets geprononceerder.

Uit zichzelf geeft de hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Californië in Berkeley niet zo gauw een mening. Hij wil de wereld niet veranderen, hij wil haar begrijpen. Hij is een analyticus, een geleerde die vragen stelt en antwoorden zoekt. De twee dikke delen van zijn magnum opus The Information Age: Economy, Society and Culture die tot nu toe zijn verschenen (deel drie komt volgende maand uit) zijn het jongste resultaat van zijn inspanningen. Veertien jaar heeft Castells eraan gewerkt, en nu is het af. Een diagnose van de tijd, een rapport van de post-industriële wereldsamenleving op grond van veelsoortige bronnen, waaronder veel statistisch materiaal uit de Verenigde Staten, West-Europa, Rusland, Mexico, Bolivia, de islamitische wereld, China en Japan. Het is het soort boek dat nauwelijks meer geschreven wordt: een grand theory, een poging alle aspecten van het sociale leven in één verklarend kader onder te brengen.

De vooraanstaande Franse socioloog Alain Touraine verleende het werk meteen het predikaat 'klassieker van de 21ste eeuw'. Zijn niet minder beroemde Britse collega Anthony Giddens spreekt over 'een encyclopedische studie' en 'een standaardwerk voor de komende jaren'. Castells laat zien hoe de sociale structuur van de wereld ingrijpend aan het veranderen is door de mogelijkheden van de informatietechnologie. Die technologie maakte de opkomst mogelijk van wereldwijde netwerken, waarin individuen, bedrijven en instellingen met elkaar verbonden zijn. Castells ziet twee belangrijke gevolgen van deze technologische sprong. De eerste is het ontstaan van een economie op wereldschaal. Het is een economie die de wereld voortdurend afgraast, op zoek naar nieuwe productie- en consumptiemogelijkheden. Een economie waarin voortdurend wisselende en flexibele ketens van bedrijven en instellingen worden gevormd. De schakels in de keten vullen elkaar aan, besteden werk aan elkaar uit, en nemen als het moet weer snel afscheid van elkaar. Het is een ordening waarin massaproductie plaatsmaakt voor flexibele productie, en waar alles waar ook ter wereld gemaakt kan worden. Het is een ordening die weinig respect heeft voor landsgrenzen, reputaties en tradities en die diep ingrijpt in het dagelijks leven van de mensen.

Tegenover de integratie van de economie op wereldschaal staat het tweede belangrijke gevolg van de informatietechnologie: toenemende sociale fragmentarisering. In de netwerkeconomie verliezen oude regionale bindingen het van lucratieve internationale allianties. De relatie tussen werkgever en werknemer komt onder druk te staan, het gezinsleven wordt bedreigd door de roosters van het deeltijdwerk en de massamedia worden opgesplitst in deelpaketten voor doelgroepen.

De ontwikkeling van de netwerkeconomie was geen plan, onderstreept Castells. Het is een vrijwel autonome kracht, een ontwikkeling waartegen niemand zich kan verweren. Het betekent niet dat we de sociale desintegratie op de koop toe moeten nemen, maar voordat we daaraan iets kunnen doen moeten we goed begrijpen wat er aan de hand is.

Castells - voortdurend op reis, hij was gasthoogleraar aan zestien universiteiten - sprak vorige week tijdens een media-congres in het Vormgevingsinstituut in Amsterdam.

Castells: “De industriële revolutie is indertijd mogelijk gemaakt door fabrieken: doordat ondernemers de boeren en handwerkslieden van hun tijd in één gebouw samenbrachten en de productie rationaliseerden. Die structuurverandering leidde tot een nieuw kapitalisme en tot een nieuwe organisatie van de samenleving. “Netwerken zijn voor de huidige tijd wat fabrieken voor de industriële revolutie waren. Eigenlijk zien we nu het omgekeerde proces: de decentralisatie en de desintegratie van grote verticale organisaties in zeer flexibele netwerken van kleine, verspreide eenheden: individuen, bedrijven en bedrijfjes die veranderlijk zijn en zich goed kunnen aanpassen aan gewijzigde omstandigheden. Zo'n netwerk kan vaak veel effectiever werken dan een grote onderneming.

“De netwerkorganisatie is mogelijk geworden doordat we nu de beschikking hebben over informatietechnologie. Gecomputeriseerde gegevens die overal ter wereld in te voeren en op te roepen zijn. Die technologie stelt ons in staat te werken als een eenheid - terwijl we ons op verschillende plaatsen bevinden en vaak ook tot andere organisaties behoren.

“Neem Benetton. Wat is Benetton? Een netwerk van activiteiten, een multinational die uit een klein Italiaans familiebedrijf is gegroeid. Het zijn 5.000 verkooppunten over de hele wereld, die twee taken hebben: de Benetton-producten verkopen en verder niets, en informatie verstrekken over de verkoop aan het hoofdkantoor. Welke kleuren lopen goed? Welke modellen? Die informatie wordt meteen omgezet in productieorders, die ook weer een netwerk ingaan: een los verband van kleine bedrijfjes in Turkije en zuid-Italië die de kleding produceren. Of neem Silicon Valley: een netwerk van meer dan 5.000 grote en kleine elektronica-bedrijven, die in een voortdurende herschikking met elkaar samenwerken.”

De netwerkeconomie schept dus ook nieuwe kansen voor de arme gedeelten van de wereld?

“Ja en nee. Netwerken zijn uiterst dynamische organisatievormen. Regio's of bevolkingsgroepen die als consument of producent iets kunnen betekenen worden snel in een netwerk opgenomen. Maar ze kunnen ook heel snel worden uitgesloten - als blijkt dat ze hun waarde als producent of consument verloren hebben. In netwerken worden delen die van waarde zijn 'aangezet' en delen die hun waarde verliezen 'uitgeschakeld'.

“Dat aan- en uitzetten loopt niet meer parallel met de gebruikelijke indeling in Eerste, Tweede en Derde Wereld. De Tweede Wereld is al verdwenen, en de Derde ook, want bevolkingsgroepen die als producenten of consumenten van betekenis zijn, kunnen snel aan de netwerken deelnemen. Maar omgekeerd dus ook: landen en regio's die niets meer te besteden hebben, of waar te weinig geschoolde arbeid is, worden uitgeschakeld. Albanië bijvoorbeeld, Burkina Faso, Rwanda, of Somalië. Gebieden die vroeger nog werden geëxploiteerd, maar nu voor de wereldeconomie geheel irrelevant zijn geworden.

En dat gebeurt ook in de Eerste Wereld. In Nederland verkeert u in de gelukkige positie dat slechts een zeer klein gedeelte van de bevolking aan de kant staat. Maar in de VS, nog steeds de meest dynamische en rijkste economie van de wereld, doet 20 tot 25 procent van de bevolking niet meer mee - kijk maar in de Zuid-Bronx. Of neem Liverpool, of Napels. Steden die niet meer meedoen. Die als consumenten en producenten niet meer in de markt zijn.''

Door wie worden die gebieden en de mensen daar uitgeschakeld? Doen ze dat zelf?

“Nee, de mensen schakelen zichzelf niet uit. Het is de dynamiek van de netwerken. De beurs is een voorbeeld. Uw en mijn spaargeld bevindt zich ergens in een bewegend netwerk, dat we niet kennen en wat niemand echt kent, want dat geld is vermengd met allerlei andere fondsen. Wat op een bepaald moment waardevol is en wat niet, wordt niet beslist door de markt, maar door een soort willekeurige turbulentie. Als Greenspan in een goed humeur is en een zonnige uitspraak doet, gaan je aandelen omhoog, maar ze kunnen de volgende dag weer dalen. Een ander voorbeeld: omdat de beurs in Hongkong daalde, besloten handelaren dat het in Mexico en Brazilië ook slecht zou gaan. Dus verkopen maar, die Mexicaanse en Braziliaanse aandelen - terwijl het de economie in die landen beter ging dan het jaar daarvoor!”

Hebben de netwerken een verborgen logica? Een mechanisme dat niet meer door mensen wordt beheerst?

“Het is verborgen, maar het is geen logica. Het zijn betrekkelijk willekeurige bewegingen. Het is geen objectief proces, het heeft met de wet van vraag en aanbod niets te maken. Economen zeggen dat in de markt alles tegen elkaar opweegt. De een verliest, de ander wint en uiteindelijk wordt er een nieuw evenwicht bereikt. Zeker! Maar het probleem is dat als in deze virtuele economie iemand verliest hele regio's kunnen worden uitgeschakeld - en dat er geen relatie bestaat met de werkelijke economie van die regio's. Voor de eerste keer in de geschiedenis hebben we een machine gemaakt die dynamisch is, vol mogelijkheden zit, maar door niemand beheerst wordt.”

Een monster van Frankenstein?

“Nee, dat hoeft niet, want de netwerkeconomie zorgt er ook voor dat veel mensen betere levenscondities hebben, een grote keuzevrijheid hebben en dat creativiteit en ondernemingszin beloond wordt. Maar de uitkomst van het proces wordt niet beheerst door nationale overheden, niet door internationale instellingen en al helemaal niet door individuele mensen.”

Kunnen we dat proces ooit onder controle krijgen?

“Ik denk niet dat het mogelijk is. Nationale overheden hebben het vermogen verloren de economie te beheersen; de economie is nu eenmaal internationaler en onoverzichtelijker geworden. De vorming van de Europese Unie is de erkenning van dat probleem. De Unie is ook tot meer in staat dan de afzonderlijke leden. Maar de prijs die de staten hebben betaald is het verlies van de nationale soevereiniteit. Belangrijke beslissingen zijn steeds meer in handen van de Europese instellingen gekomen. En dat vereist voortdurend onderhandelen tussen de nationale overheden en de verschillende instellingen van de Unie.

“Daarmee is regeren dus veel gecompliceerder geworden, en de besluitvorming steeds verder weg komen te liggen. Dat is des te problematischer omdat alles wat te maken heeft met het dagelijks leven van mensen - scholen, politie, cultuur, milieu, vrije tijd - zich op lokaal en regionaal niveau bevindt en afspeelt. Nationale regeringen worden dus steeds meer bemiddelaars tussen supranationale en lokale instellingen. Besturen komt neer op: je weg weten te vinden in het netwerk. Politici en bestuurders kunnen geen bevelen geven; ze moeten leren hoe ze door de netwerken kunnen navigeren. Ze moeten de verbanden doorzien, proberen nieuwe verbindingen te leggen, mensen, bedrijven en instellingen aan elkaar knopen. Doen ze dat niet, dan is hun rol uitgespeeld.”

Wat merken de mensen in hun dagelijks leven van de netwerkeconomie?

“Het belangrijkste gevolg is de individualisering. Bijvoorbeeld in het werk. De mensen werken steeds meer tijdelijk, of part time. In Engeland, de bakermat van de industriële samenleving, werkt 38 procent van de beroepsbevolking niet meer permanent en full-time. Er is veel meer flexibiliteit. “Tegelijkertijd zijn de arrangementen die nog dateren van het industriële tijdperk aan het verdwijnen: vakbonden, sociale vangnetten, collectieve regelingen. De machtsbalans tussen werkgever en werknemer is aan het verschuiven. Die is altijd gebaseerd geweest op de onderhandelingskracht van de partners, maar als je als werknemer geen regeling of bond meer achter de hand hebt, trek je in toenemende mate aan het kortste eind. Je onderhandelingskracht neemt ook af als je wat ouder bent. In Silicon Valley lig je eruit als je veertig bent - tenzij je zeer briljant bent of je eigen bedrijf hebt opgericht.”

“Een ander gevolg van de netwerkeconomie is misschien nog interessanter: de reactie erop. Tegelijk met de openheid, het individualisme en de dynamiek die typerend zijn voor deze samenleving, zie je in de hele wereld de laatste tien, twintig jaar een zeer sterke reactie van mensen die zich bezinnen op hun groepsidentiteit. Sommigen zoeken het in hun gebied of geboortegrond, anderen in etniciteit, of sekse - zoals in de vrouwenbeweging - en weer anderen zoeken het in de vertrouwde principes God, gezin, vaderland. Religieus fundamentalisme is nu een veel belangrijkere factor om de mensen in beweging te krijgen dan de politiek.

“Je hebt dus aan de ene kant de individualiserende tendens van de netwerkeconomie, en aan de andere kant de sociale bewegingen die daartegen in het geweer komen - feminisme, religieus fundamentalisme, herrijzend nationalisme. Het probleem is dat tussen deze twee uitersten de traditionele instellingen van de samenleving in elkaar storten. De samenleving valt uiteen in individuen en gemeenschappen. Die gemeenschappen ontwikkelen eigen culturen, en hebben de neiging culturele stammen te worden. En dan is er geen communicatie meer mogelijk.”

Een nieuw antagonisme, dat door de netwerkeconomie is gecreëerd?

“Het is gecreëerd zonder dat iemand het wilde - door het proces van de globalisering, waarin de politieke beheersing van de economie, de media en de nationale staten verloren is gegaan. De netwerken en de informatietechnologie zijn alleen maar de blinde werktuigen geweest.

“En we kunnen niet meer terug. Dit is de nieuwe samenleving! We moeten nieuwe vormen zoeken, we moeten de principes van de democratie, de nationale staat, het verzorgingsstelsel opnieuw bedenken, ze aanpassen aan de nieuwe technologische omstandigheden.”

Is niet te verwachten dat zich een wereldcultuur zal vormen als gevolg van de toegenomen communicatiemogelijkheden?

“Er ontstaat al een soort wereldcultuur, maar dat is jet-setcultuur, de cultuur van de internationale zakenwereld. De meeste mensen leven niet in die wereld, en hebben juist de neiging hun eigen culturele identiteit te versterken. Op Internet kun je de illusie hebben dat je bent ontsnapt aan je eigen achtergrond, dat je deel hebt aan een nieuwe gemeenschap met een nieuwe cultuur. Maar de virtuele cultuur is bedrieglijk - je weet nooit met wie je praat. Het is een cultuur zonder samenleving, zonder ervaring, zonder geschiedenis. Het is een verzinsel.”

Hoe ziet u de rol van de media? Dragen ze bij aan de fragmentarisering?

“Marshall McLuhan vond dat de massamedia onze manier van denken vormt: 'The medium is the message'. Ik ben het nooit eens geweest met die uitspraak - hoewel die briljant gevonden is, en McLuhan een geniaal denker was. Ik denk dat onze manier van denken in toenemende mate zijn uitdrukking vindt in de massamedia. De media zijn geen manipulatoren, ze zijn culturele entrepreneurs, ze proberen te ontdekken wat werkt en wat niet. We zijn in de media, de media zijn in ons, ze zijn deel van onze werkelijkheid. Het is geen virtuele realiteit waarin we leven, maar eerder een reële virtualiteit.'

Zoals we zagen toen lady Diana stierf?

“De rouw om Diana was voor veel mensen een veel persoonlijker kwestie dan de rouw om familieleden of vrienden. Ik was niet verbaasd door de schaal waarop het gebeurde. Er is een enorm overschot aan gevoelens die niet kunnen worden uitgedrukt in de traditionele kanalen: niet in de politiek, niet in de officiële religie, niet in ideologie. Die hebben in de sterk geïndividualiseerde maatschappij hun bindende betekenis verloren. Maar mensen identificeren zich gretig met symbolen waarin ze kunnen uitdrukken dat ze iets anders met hun leven zouden willen. Of het nu Amnesty International is, of Greenpeace, of Diana, ze vertegenwoordigen een andere wereld.

“Het gevoel bij de dood van lady Diana was het verlangen bij die persoon te horen, bij die vrouw die mishandeld werd door het systeem waarin ze zat, en die toch de waardigheid bezat om dat systeem te weerstaan en haar eigen leven probeerde te leiden. Het was een geweldige golf van sympathie die zich tegen het establishment keerde - en die de vorm van een soap opera had.

“Bij Diana zag je hoe de massamedia de tolk kunnen zijn van een opkomend gemeenschapsgevoel en dat ook kunnen versterken. Maar dat gebeurt niet zo vaak meer. Eigenlijk hebben we het tijdperk van de massamedia al achter ons gelaten. De media die één boodschap naar miljoenen mensen brengen beleven hun laatste dagen. In de geschreven pers en in de audiovisuele media zullen de keuzemogelijkheden toenemen. We gaan naar ondernemingen die op wereldschaal opereren, maar die in staat zijn op maat gemaakte producten te maken, voor een lokale markt. De mensen zullen ook in staat zijn tot interactie met de media, en zullen hun eigen pakket gaan samenstellen. We gaan niet naar een global village, maar naar de wereldwijde productie van op maat gemaakte dorpswoningen.”

    • Warna Oosterbaan