Ponskaart

Rik Smits heeft ongetwijfeld gelijk als hij stelt (W&O, 25 oktober) dat het 80-positiesscherm is afgeleid van de 80-kolomsponskaart. De geschiedenis is hier en daar echter wat anders dan hij beschrijft. De eerste Hollerith-machines gebruiken ponskaarten (van ongeveer het huidige formaat) waarin ronde gaatjes werden geponst.

Aangezien die technisch een zekere breedte moesten hebben, konden er maar 45 naast elkaar; de kaarten hadden dan ook 45 kolommen. Elke positie had bij de Amerikaanse volkstelling een eigen betekenis (bijvoorbeeld een gaatje in positie 3 van kolom 6: man). Bij het CBS gebruikte men voor de volkstelling in de jaren twintig nog dezelfde methode. De telling gebeurde (na sortering op positie) in zogeheten telbanken waar het aantal kaarten met een ponsing op een bepaalde positie te voorschijn kwam (en met de hand moest worden overgeschreven!).

Pas bij gebruik van de ponskaartenapparatuur voor administratieve doeleinden kwam de indeling in kolommen (elk met posities 0 t/m 9 voor de decimale cijfers) en in velden (een aantal kolommen die samen een getal of geldbedrag voorstelden) in gebruik. Vijfenveertig tekens in een kaart was wel erg weinig voor dit doel. IBM bedacht de rechthoekige ponsing waardoor er 80 naast elkaar pasten op een kaart en deze toch goed technisch 'leesbaar' was. Andere fabrikanten hadden andere oplossingen. Zo deelde Powers de ponskaart in twee horizontale gebieden, waardoor er 2x45=90 posities beschikbaar waren; verschillende van de decimale cijfers moesten daarbij wel met twee ponsingen in dezelfde kolom in hetzelfde gebied worden weergegeven, wat de elektrische schakelingen ingewikkelder maakte. Anderen (ook IBM) probeerde nog wel eens andere formaten en kolommen.

Het 'aflezen' van de kaarten gebeurde van het begin af door verplaatsing van de kaart over een gebeid met schakelcontacten. Het was dus niet zo dat de kaart boven een bakje stillag. Gaatjes lieten een contactpen of zo door, zodat het ontbreken van een gaatje betekende dat er geen teken werd gelezen.

Voor menselijk gebruik waren ponskaarten niet direct leesbaar. Voorts is het pas in het begin van de jaren '30 mogelijk geworden ook tekst (alfa-numerieke tekens) in de ponskaart op te nemen. Daartoe waren zogenoemde bovenponsingen nodig (de posities x en y boven de nul), zodat er twaalf regels op de kaart kwamen. Voor mensen leesbaar werden tekst en getallen pas door er met een tabelleermachine (tabulator) een afdruk van op papier te maken, of met een ander apparaat (bijvoorbeeld een schrijvende ponsmachine, of een vertolker (interpreter) de letters en cijfers op de boventand van de ponskaart af te drukken.

Tegen de tijd dat computers op de markt kwamen (begin jaren '50), waren IBM-ponskaartsystemen met 80-kolomsponskaarten reeds wijdverbreid. Het lag dan ook voor de hand dat in eerste instantie, in ieder geval voor administratief gebruik, ponskaarten werden toegepast voor in- en uitvoer van de computer. Op andere gebieden (wetenschappelijk rekenen, statistiek) werden ook wel andere in- en uitvoermedia gebruikt, zoals een (papieren) ponsband. Magnetbanden, magneetschijven, aanstreepformulieren, magnetic character reading, optical character reading kwamen later.

Door de de facto standaard van 80 kolommen per invoerponskaart was het ook logisch om de inhoud van zo'n ponskaart als eenheid voor een 'regel' te gebruiken. Toen dan ook beeldschermen voor uitvoer van computergegevens (en toetsenborden voor invoer) in zwang kwamen, was de 'regel' van 80 posities ingeburgerd. Overigens, er is voldoende programmatuur op de markt om andere aantallen posities per regel op het scherm te krijgen, bijvoorbeeld bij kleinere of juist grotere lettertypes dan de standaard-gebruikelijke.

    • A.B. Frielink