Politieman heeft genoeg van 'kansspel'

Na Rotterdam was Aart Stigter ook in de marathon van Amsterdam de beste Nederlander. De politieman uit Doorn is 41 jaar. Officieel ben je dan bij de atletiekunie een veteraan. Maar zo wil Stigter liever niet worden genoemd. “Een afschuwelijk woord.”

DOORN, 8 NOV. De trimmer in het bos stopt als hij Aart Stigter ziet en feliciteert de atleet met zijn prestatie in Amsterdam. Met zijn duim omhoog vervolgt de man zijn weg. Op het gezicht van Stigter verschijnt een verlegen lach. “Ik ken die meneer niet, hoor.” Hij moet nog altijd wennen aan al de interesse voor hem. Bescheidenheid siert de mens. “Ik ben zelf ook gewoon maar een trimmer. Alleen met wat meer aanleg dan anderen”, zegt Stigter.

Ondanks zijn recente successen heeft hij zondag in Amsterdam misschien wel zijn laatste marathon gelopen. Stigter vindt dat hij op die historische afstand niets meer te zoeken heeft. “Die twaalfde plaats van Amsterdam is prachtig. Op papier hadden nog wel dertig anderen voor me moeten eindigen. Jongens die voor hoge startgelden waren binnengehaald. Ik voel me ook best een hele Piet. Maar kijk eens naar mijn tijd: 2.21. Die is heel modaal. Oké, ik heb me voortbewogen maar met hardlopen had het weinig te maken. De laatste vijf kilometers gingen in achttien minuten. Achttien minuten!”

Eigenlijk vindt hij marathons lopen maar niets, bekent hij. “De marathon is een soort kansspel. Je moet er elke keer weer heel specifiek voor trainen, maar dan nog weet je niet of het gaat lukken. Het blijft onvoorspelbaar. Hoe zijn de weersomstandigheden, hoe houdt je lichaam het? Dat is aan de ene kant het uitdagende van de marathon, maar ook het frusterende. Voor mij is de marathon te lang. Ik ben altijd gesloopt over de finish gekomen. Een marathon lopen is ook ongezond. Ik zou het niemand willen aanraden. Toch ben ik er steeds weer aan begonnen. Dat komt omdat de marathon erg in de belangstelling staat en er veel eer op valt te behalen.”

Maar de kortere afstanden op de weg, 10 km, 20 km en de halve marathon, liggen hem beter. “Dan kan ik echt hardlopen.” Stigter kan niet zonder. Dagelijks loopt hij in de bossen rondom zijn huis in Doorn regelmatig zelfs twee keer op een dag. “Dat is voor mij het leven. Zoals andere mensen in het weekeinde de auto pakken, naar het bos rijden en daar gaan wandelen. Ik zie wel meer van de natuur dan zij. 's Ochtends vroeg loopt er hier nog weleens een ree rond. Prachtig is dat.”

Opmerkelijk genoeg heeft Stigter een soortgelijke achtergrond als de zo geprezen Keniaanse atleten. Ook hij liep als kind altijd naar school. Van de boerderij van zijn ouders in Linschoten was dat toch een afstand van ruim anderhalve kilometer. “We hadden niets, geen tv, geen fiets. 'Ga jij maar lopen', jochie, zeiden mijn ouders. Ik wist niet beter. Pas veel later realiseerde ik me dat we onder het modale niveau leefden.” Soms legde hij een deel van het traject naar school rennend af, soms sprong hij over een sloot. Zo leerde Stigter spelenderwijs bewegen. Daar heeft hij later veel profijt van gehad.

Stigter ging pas een beetje serieus rennen toen hij bij de politie zat. Met collega's ging hij aan trimlopen meedoen. Nog veel later werd hij voor het eerst lid van een atletiekvereniging. Stigter kan ook gerust een laatbloeier worden genoemd. Pas op zijn dertigste kwam hij bij de nationale selectie. Hij vraagt zich weleens af wat hij had kunnen bereiken als hij zich eerder echt op het hardlopen had gericht. “Ik denk dat ik 2.12 op de marathon had kunnen lopen”, schat hij in. Dat zou drie minuten sneller zijn dan zijn persoonlijk record van 2.15,14. “Maar wat dan nog, hè? Ook met 2.12 had ik internationaal niets voorgesteld. Dus misschien is het ook wel goed zo. Ik heb in ieder geval nog plezier in het lopen. Dat is het belangrijkste. Sport moet vrijheid zijn.”

Stigter is inmiddels al 41 jaar en dat betekent dat hij bij de atletiekunie als veteraan te boek staat. Maar zo wil Stigter liever niet worden genoemd. “Ik vind het een afschuwelijk woord. Bij veteraan denk ik toch aan een oud-soldaat met een afgeschoten poot en een kruk en niet aan een springlevende atleet die 2.16 op de marathon loopt.” Hij krijgt natuurlijk her en der de gebruikelijke opmerkingen dat hij het op zijn leeftijd maar eens wat rustiger aan moet gaan doen. Dat is Stigter voorlopig niet van plan.

Ook problemen met zijn hart veranderden daar niets aan. Hij kreeg ritmestoornissen die onder narcose moesten worden verholpen. Stigter vindt het vervelend dat die gezondheidskwestie met het hardlopen in verband wordt gebracht. Want daarmee, zo legt hij uit, had het niets te maken. “De dokter heeft gezegd dat lopen juist goed voor me is.” De problemen kwamen waarschijnlijk voort uit stress op zijn werk. Politiedocent Stigter heeft nu een jaar onbetaald verlof genomen om zich te kunnen bezinnen over de toekomst.

Stigter kan zich ook nog eens buigen over de vraag waarom het slecht gaat met Nederland op de marathon. Want hij realiseert zich terdege dat hij mede door de heersende malaise de beste Nederlander in Rotterdam en Amsterdam was. Volgens Stigter heeft de toegenomen welvaart er mee te maken. “De generatie die na mij komt zal de omstandigheden waaronder ik ben opgegroeid waarschijnlijk armoede noemen. Zij zijn veel beter gewend, met een fiets en andere luxe zaken. Er zijn jongens die de welvaart langs zich heen laten gaan. Bert van Vlaanderen is jarenlang dagelijks om half zes opgestaan om te trainen. Maar hij behoort tot de uitzonderingen. En niet iedereen die nog wel alles opzij wil zetten, heeft ook aanleg.”

Stigter vindt ook dat er in Nederland verkeerd wordt omgesprongen met de jeugd die interesse toont voor lopen. “Er wordt bij de atletiekclubs nog volgens oude structuren gewerkt. Dat betekent dat men vindt dat je iemand alles moeten laten doen. Lopen, springen, gooien. In beperkte mate is dat ook niet verkeerd, maar waarom zou je iemand die graag wil kogelstoten voortdurend over de horden jagen of laten verspringen? Dat werkt alleen maar averechts. Ik zie het aan mijn eigen zoon van elf. Hij vindt lopen heel leuk, maar ziet die andere onderdelen niet zo zitten. Dus is hij van atletiek af. Nu zit hij op voetbal en daar kan hij in het veld wel lekker veel lopen.”

    • Hans Klippus